Huisarts
De huisarts Om 7:45 uur op de fiets naar de praktijk. Koud zadel. Stijve vingers. Op de Oosterduinweg hing aan de muur metalen plaatjes met de tijden van het spreekuur. Rond, bekrasd aluminium. Een gaatje bovenin. De cijfers scheef en slordig geponst, alsof tijd zelf haast had. Dat plaatje bepaalde je ochtend. Wie het eerst kwam kon blijven. Ik had 10:00 uur dus weer naar huis. Wachten was toen nog fysiek. Het was dezelfde huisarts die mij had gehaald in een ijzige nacht in 1963. Na mijn geboorte — het was nogal een bevalling, naar verluidt — rookte hij voor Maranatha een sigaret met mijn vader. Beiden staken ze de filter aan. Van stress. Van vermoeidheid. Van opluchting. De rook kringelde de winterlucht in. Ik was er net. Voor zover ik me herinner was de examenweek aanstaande. Ik was op van de zenuwen. Mijn moeder gaf me valispert-tabletten. Witte pilletjes in een bruin, glazen potje. Ze boden geen soelaas. Mijn hoofd tolde gewoon door. De praktijk: een voordeur met kanaalglas. Links ...