Huisarts


De huisarts


Om 7:45 uur op de fiets naar de praktijk. Koud zadel. Stijve vingers. Op de Oosterduinweg hing aan de muur metalen plaatjes met de tijden van het spreekuur. Rond, bekrasd aluminium. Een gaatje bovenin. De cijfers scheef en slordig geponst, alsof tijd zelf haast had.


Dat plaatje bepaalde je ochtend. Wie het eerst kwam kon blijven. Ik had 10:00 uur dus weer naar huis. Wachten was toen nog fysiek.


Het was dezelfde huisarts die mij had gehaald in een ijzige nacht in 1963. Na mijn geboorte — het was nogal een bevalling, naar verluidt — rookte hij voor Maranatha een sigaret met mijn vader. Beiden staken ze de filter aan. Van stress. Van vermoeidheid. Van opluchting.


De rook kringelde de winterlucht in. Ik was er net.


Voor zover ik me herinner was de examenweek aanstaande. Ik was op van de zenuwen. Mijn moeder gaf me valispert-tabletten. Witte pilletjes in een bruin, glazen potje. Ze boden geen soelaas. Mijn hoofd tolde gewoon door.


De praktijk: een voordeur met kanaalglas. Links de witte wachtkamer met hoge houten banken. Rechts de spreekkamer. Verbonden door een indringende zoemer die je hartslag even liet overslaan.


De dokter zat achter zijn midcentury houten bureau. Witte jas. Stethoscoop om zijn nek. Een asbak op tafel. Een pakje Caballero zonder filter ernaast.


Het was een andere tijd. Een ander Nederland.


Zwart-wit. Letterlijk en figuurlijk. Links en rechts woonde een Indisch gezin. Een Surinaams gezin waarvan je de kinderen bij voornaam kende. Integratie? Dat woord bestond niet. We speelden gewoon met elkaar.


Een Nederland waar je strak in een schoon bed werd gelegd als de dokter kwam. De kamer gelucht met verse Hoogovenslucht uit Koninklijke Hoogovens. Een nieuw stuk zeep. Schone handdoek. Want de dokter kwam op huisbezoek. Omdat je griep had.


“Ga zitten Ton,” zei dokter De Weerdt, gebarend naar de stoel voor zijn bureau.

“Zeg het eens, wat kan ik voor je doen?”


Ik vertelde over de zenuwen. Het examen. De druk.


“Weet je wat we doen,” zei hij. “Je krijgt Seresta. En je moet maar eens beginnen met roken. Dan word je rustig.”


Het werd gezegd zonder ironie. Zonder bijsluiter. Zonder keuze-menu.


Hoe anders is het nu.


Je moet blij zijn als je überhaupt een huisarts hébt. Eerst het keuzemenu. Press one for English. Voor spoedgevallen toets 2. Bent u collega-zorgverlener toets 3. Daarna anderhalve minuut uitleg wat ik allemaal op de website kan vinden.


En dan de waakhond. Het laatste filter. De assistente.


Na mijn openhartoperatie kwam de toenmalige huisarts langs. Niet om te vragen hoe het ging, maar om zichzelf vrij te pleiten. Ik was niet duidelijk geweest, zei ze. Ik heb haar direct de deur gewezen. Daarna ben ik elf jaar niet meer bij een huisarts geweest.


Na een dag kan ik nu terecht. Een arts in opleiding en de amicale huisarts luisteren naar mijn longen en gerochel.


“Wat denkt u zelf dat we gaan doen?”


“Antibiotica,” zeg ik resoluut.


“Nee, eerst een bloedonderzoek. Een neusspray. Een inhaler.”


Een week later sta ik er weer. 38,5 koorts. Nog steeds rochelend. Dan krijg ik antibiotica. Voor vijf dagen. Een week later opnieuw. Voor twee dagen extra.


Twaalf jaar lang rammen ze erin dat ik naar mijn lichaam moet luisteren.


En als ik dat doe — luisteren artsen niet meer naar mij.


Ik denk aan dat metalen plaatje. Aan de scheef geponste cijfers. Aan een huisarts die ’s nachts kwam en buiten een sigaret rookte met mijn vader. Aan een asbak op het bureau. Aan eenvoud.


Misschien was het medisch niet beter.

Misschien zelfs slechter.


Maar het voelde alsof er iemand tegenover je zat.


Zonder keuzemenu.

Zonder filter.


Wel lief … Ton, je bent geen 18 meer, veel achter je kiezen gehad.. ik moet goed voor je zorgen. 

Reacties

Populaire posts van deze blog

Anton Antipode - mijn grootvader

Barbara overpeinzingen

Kleine oma