Kleine oma
Na de Eerste Wereldoorlog, in de crisisjaren, kwam ze vanuit Düsseldorf naar Haarlem. Negentien jaar moet ze geweest zijn. Haar moeder was overleden, haar vader hertrouwd met een jonge vrouw van amper vierentwintig die haar niet in huis wilde. Er was armoede, er was gebrek, en dat was het argument om haar weg te sturen. Mijn oma was klein van stuk, een meter vijfenzestig hoog, maar haar armen waren gespierd. Met diezelfde armen had ze ooit de metalen steel van een stofzuiger kromgebogen. Een kleine krachtpatser, maar wij konden het niet met elkaar vinden. Ik was een jaar of twaalf, dertien, toen ik een opmerking maakte die haar niet paste. Ik hoor haar nog: “Mein Haus aus!” Het buskaartje dun en kwetsbaar in mijn hand, maar stevig genoeg om me weg te dragen in lijn 70 richting IJmuiden. Daarna ben ik nooit meer teruggegaan. Op haar sterfbed vroeg ze naar iedereen, behalve naar mij. Toch herinner ik me de zaterdagen op het Tuinlaantje. Mijmeren op de zwart-skaien bank met rode kriebelbe...