Joke
Herinneringen terwijl je er nog bent, maar waarschijnlijk niet voor lang. Het is een vreemde tijd, een tijd waarin alles al herinnering lijkt terwijl het nog ademt. Alsof woorden zich al voorzichtig in de verleden tijd zetten.
Ik had je zo graag nog één keer willen zien. Niet groots, niet dramatisch. Gewoon jij, zoals je was. Je knokige vuist tegen mijn schouder — half plagerij, half bevestiging dat ik er was. Dat kleine gebaar dat meer zei dan hele gesprekken ooit konden. Daar zat jouw taal in.
En de telefoongesprekken.
De lange, soms schurende gesprekken over mijn moeder. Over de ruzies van vroeger, die als oude krassen op een plaat bleven overslaan. Jij die luisterde. Soms bromde. Soms zweeg. Maar altijd bleef. Alsof we samen probeerden het verleden te temmen door het uit te spreken. Alsof woorden pleisters waren op iets wat nooit helemaal zou helen.
Straks zijn we allemaal vergeten.
Geleden in het heden.
Vergaan met een verleden.
Het is een wonderlijke gedachte: dat we nu nog praten, nog ademen, terwijl we tegelijkertijd al herinnering worden in iemand anders. Misschien is dat wat blijft — niet de grote daden, maar die knokige vuist, dat gesprek aan de telefoon, dat ene woord dat precies op tijd kwam.
Ik probeer je alvast vast te houden in zinnen.
Niet om je tegen te houden — dat kan niemand — maar om te zorgen dat je niet verdwijnt in stilte. Want zolang ik je kan horen in mijn hoofd, zolang ik die vuist nog voel tegen mijn schouder, ben je er nog een beetje.
En misschien is dat alles wat we uiteindelijk hebben:
elkaar, in herinnering.
Reacties
Een reactie posten