De Turkse dame

De brancard wordt binnengereden.


Een kleine, Turkse bejaarde dame ligt half opgericht, ogen wijd open, alsof ze een nieuw continent binnenvaart. De wielen piepen licht bij de drempel. Achter de ambulancebroeder loopt haar dochter. Zij regelt. Zij stuurt. Zij spreekt. Alles tegelijk.


“Twee tassen.”

“Pas op met dat infuus.”

“Mijn moeder spreekt geen Nederlands,” zegt ze tussen twee bevelen door tegen mij, alsof ik onderdeel ben van het opnameformulier.


Haar moeder knikt naar alles en iedereen. Grote ogen. Kleine handen.


De dochter loopt de gezamenlijke badkamer in en begint het planchet te organiseren. Alsof ze een hotelkamer inricht voor een langer verblijf. Tandpasta. Crème. Doekjes. Medicijnen. Alles in een rechte lijn. Dan trekt ze het gordijn dicht. Niet zomaar dicht — strak. Afgebakend. Dit is óns stuk. Ons territorium. Ons eiland in deze zee van zieken.


Even later komen er nog vier familieleden binnen. De kamer vult zich met stemmen, parfum, tassen, telefoons. Er worden video’s afgespeeld. Kleinkinderen op schermpjes. Bruiloften. Een tuin in zonlicht. Moeder voert het hoogste woord in het Turks. Vloeiend. Ritmisch. Met een energie die haaks staat op haar breekbare lichaam.


Ik begrijp er niets van, maar alles.


Ik voel de onrust in mijn lijf. Mijn hart slaat een tel over. Dan nog één. Ik wacht — tevergeefs gelukkig — op het ingrijpen van mijn ICD. Dat metalen waakzame ding in mijn borst dat beslist over leven en lesje geleerd krijgen. Het blijft stil.


Bezoektijd nadert zijn einde. Ik zie het als een horizon van rust. Straks wordt het stil. Straks alleen het zachte zoemen van apparatuur en het nachtlicht boven de deur.


Twintig minuten ná einde bezoektijd gaan de deuren opnieuw open.


Drie Turkse dames stappen binnen. Ze kijken me angstvallig aan. Alsof ik de vertegenwoordiger ben van het Nederlandse Reglement. Een kort groetje. Dan barst de drukte weer los. Tassen schuiven. Stoelen kraken. Fluistergesprekken die geen fluistergesprekken zijn.


Met snelle passen komt een kordate nachtzuster binnen. Rechte rug. Besliste stem. Ze wijst de dames erop dat de bezoektijd voorbij is. Dat het fijn is als ze de regels respecteren zodat andere mensen ook kunnen rusten.


Andere mensen.

Dat ben ik.


Er wordt gemompeld. Jassen worden aangetrokken. De deur sluit.


Het licht gaat uit. Het gordijn tussen de bedden wordt strak dichtgetrokken. Twee werelden gescheiden door een dunne lap stof.


Tien minuten stilte.


Dan begint het.


Niet snurken.

Zagen.


Een irritante, mechanische zaag die zich door de nacht vreet. Ritmisch. Onverbiddelijk. Alsof ergens in de kamer een boom wordt omgelegd. Ik lig verstijfd. Mijn ogen wijd open in het donker.


Ik voel hoe irritatie zich mengt met vermoeidheid. Mijn hart reageert. Ik adem te snel. Gedachten worden donkerder dan de kamer.


Zal ik een kussen op haar gezicht duwen?

Net als in de film…


Zou ik ermee wegkomen als ik stug volhoud dat ik sliep?


Mijn brein maakt idiote sprongen als het geen rust krijgt. Ik hoor mezelf denken en schrik van de absurditeit. Naast mij ligt een bejaarde dame die vandaag een stent heeft gekregen. Een klein metalen buisje dat haar leven verlengt.


En ik denk — waarom ook niet in elk neusgat één.


Ik draai me om. Het matras kraakt. De zaagmachine gaat onverstoorbaar door. Achter het gordijn ligt geen vijand. Geen indringer. Maar een moeder. Een oma. Een vrouw die haar taal, haar familie, haar wereld heeft meegebracht naar deze kamer.


Mijn ICD zwijgt.

Mijn hoofd niet.


Ziekenhuizen zijn geen neutrale plekken. Ze vergroten alles uit. Geluid. Angst. Cultuur. Eenzaamheid. Irritatie. Mededogen.


Ik lig me op te vreten.

En weet tegelijkertijd: ook zij heeft haar gevecht.


De nacht is lang.




Reacties

Populaire posts van deze blog

Anton Antipode - mijn grootvader

Barbara overpeinzingen

Kleine oma