Leen


Er komt straks een meneer op uw kamer.


Alsof hij wordt aangekondigd als een artiest die zo het podium op moet. Ik zit rechtop in mijn bed, luister naar het geritsel van de gang, het zachte piepen van wielen over linoleum. Even later vult de deuropening zich met een grote, zwaarlijvige man. Zuchtend, puffend, maar met een glimlach die de hele kamer optilt. Hij ploft neer in de rechtopzitstoel tegenover mij, alsof hij daar al jaren thuishoort.


“Bent u net binnengekomen?”


“Ja,” zeg ik. “Maar ik was er al… ik moest even het antwoord plaatsen.”


Hij knikt begrijpend, alsof dat volstrekt logisch is. “Ik doe die toeters in.”


Twee minutieuze apparaatjes verdwijnen onzichtbaar in zijn oren. Routine. De zuurstofslang legt hij behendig langs zijn wangen, haakt hem achter zijn oren en schuift het slangetje onder zijn neus. Een choreografie van afhankelijkheid. Hij kijkt op.


“Gaat het een beetje?”


Ik knik. “Hoe oud bent u, als ik vragen mag?”


“Zevenenzeventig hááálf.”

Dat half komt erachteraan als een onderscheiding.

“Half?” vraag ik.


“Ja, ik ben in december jarig, ziet u.”


Alsof het verschil wezenlijk is. Alsof dat halve jaar nog gewicht heeft. En dat heeft het ook.


Leen is een Bourgondiër. Een man met een verhaal. Dat voel je binnen drie minuten. We raken in gesprek zoals twee oude kennissen dat doen — zonder omwegen, zonder beleefdheidsdrempels. Het matched. Twee uitvinders tegenover elkaar, tussen infuuspaal en nachtkastje.


Leen is instrumentmaker. Hij heeft de verfmengmachine uitgevonden die nu in elke bouwmarkt staat te zoemen. Dat apparaat waar je gedachteloos je kleur kiest en dat dan mechanisch je droom mengt — daar zit Leen achter. Metaalindustrie. Beurzen in Duitsland. Zakenreizen met te grote koffers. Het opbouwen van een bedrijf vanaf niets. Het verkopen ervan, op het juiste moment. Zijn ogen lichten op als hij vertelt. De zuurstof sist zachtjes mee op het ritme van zijn zinnen.


Ik mag Leen.


We maken grappen. Over vroeger. Over mannen die dachten dat ze de wereld konden kneden als staal. Hij lacht breed, en dan hoest hij. Diep. Schurend. Alsof zijn borstkas protesteert tegen het verleden.


“Ik hoest bloed en slijm op,” zegt hij. “Niet op internet kijken hoor. Bloed en slijm is per definitie kanker.”


Hij knikt er zelf bij. Alsof hij mij geruststelt.


“Mijn vrouw kan niet komen,” hijgt hij. “Ze mankeert wat.”


Er valt een stilte die groter is dan de kamer. Buiten rijdt een karretje voorbij. Iemand lacht op de gang. Het leven dendert door.


Is Leen mijn voorland?


Zevenenzeventig half.

Een harde buik.

Hijgend.

Longproblemen.

Hartproblemen.


En toch: doorleven. In een land waar we grappen maken om de pijn te dempen. Waar we half benadrukken om de eindigheid uit te stellen.


Ik kijk naar hem. Naar zijn grote handen. De handen van een maker. Van iemand die iets heeft toegevoegd aan de wereld, al weet bijna niemand zijn naam. Hij maakt zich zorgen dat hij hoest en snurkt en dat ík dan niet kan slapen.


Dat ontroert me.


Hij, die fabrieken bouwde, machines bedacht, levenswerk verkocht — maakt zich druk om mijn nachtrust.


Ik maak me zorgen om Leen. Hij is kwetsbaar. Breekbaar bijna, ondanks zijn omvang. Maar hij is ook groots. In zijn verhalen. In zijn lach. In zijn hardnekkige vasthouden aan dat halve jaar.


Leen maakt nog steeds het verschil.


Zelfs hier. Zelfs nu.


Reacties

Populaire posts van deze blog

Anton Antipode - mijn grootvader

Barbara overpeinzingen

Kleine oma