De Pont van Velsen
Aan het Pontplein stond ik te wachten, op mijn groene Zündapp, de motor uit. Het water glinsterde zilverachtig onder de zon. Aan de overkant zag ik de Rijkspont 7 zich langzaam losmaakte van de wal, het zwarte rookkanaal dampend, de diepe brom van de motoren.
Eerst de mensen eraf — dat was altijd het moment van ongeduld. Fietsers die met hun kettingen kletterden, brommers die te vroeg het gas open trokken en een reprimande van de pontwachter kregen. Pas als de laatste voetganger van de klep was, mocht je erop. Onder het gebogen metalen afdak, de binnenzijde vol klinknagels als littekens, glanzend onder lagen verf — geel, wit, grijs, in stroken aangebracht door generaties schilders.
De houten planken van het wegdek waren donker van olie en zout water. Ze glommen in de regen. Bij slecht weer zocht ik beschutting bij de machinekamer, waar het warm was en de lucht dik van diesel en metaal. Het gebrom van de motoren had iets geruststellends — als het ritme van een groot, traag hart.
En dan, aan de overkant, de weg omhoog naar de Hoogovens. In de vakanties werkte ik daar, zestien jaar oud, op het lab. Alleen kantoortijden, maar ik voelde me al deel van iets groters — een wereld van staal, stoom en stof.
’s Avonds, als de lucht boven IJmuiden nog nagloeide, dacht ik aan dat nummer van Carlsberg — Nightshift. Ik kende het beest, de zware adem van de fabriek die nooit sliep.
Reacties
Een reactie posten