Flarden en knipsels
Het was een andere tijd, ome Paul en tante Els.
Ik herinner me flarden, maar zie ze zonder foto zo voor me. Omes en tantes — ik noemde ze wel zo, maar ik geloof dat Paul eigenlijk een neef van mijn moeder was. Vanaf twee hoog keek ik uit over de straat en zag de nieuwe Fiat aankomen. Ome Paul stapte uit, opende de kofferbak en haalde met vaste hand de rolstoel eruit. Hij klapte hem open, legde zijn zwarte jaren zeventig-handschoenen — met die gebreide tussenstukjes — op de handvaten en reed naar de passagierskant. Behendig hielp hij tante Els in de stoel.
Nu ik dit schrijf, bedenk ik me dat ik mis hoe tante Els eigenlijk naar boven kwam. Maar boven kwam ze.
Een deel van onze familie is sportief. Wielrennen, atletiek, altijd beweging. Dat gen heb ik niet geërfd — mijn kant heeft andere talenten en ik rommel maar wat aan, met producten, woorden, koken en muziek. Het eerste stukje dat ik ooit over Paul terugvond was een vergeeld krantenknipsel uit 1941. Een verslag van een wielerbaanwedstrijd in Badhoevedorp, bij Olympia. De baan was toen pas vijf jaar oud.
Ze lag aan de Sloterweg, op een stuk weiland dat in de jaren dertig was afgegraven en opgehoogd. Een houten ovaal, 400 meter lang, met steile bochten en een middenterrein waar in de zomer koeien graasden als er niet gereden werd. De houten planken waren in elkaar gespijkerd met brede, zilverkleurige nagels. Als de zon er vol op scheen, rook het naar hars en naar zomer.
Olympia was toen al een begrip — opgericht in 1898 in Amsterdam, met de ambitie om de wielersport voor iedereen bereikbaar te maken. Ze organiseerden baanwedstrijden, criteriums en de Ronde van Noord-Holland. De club had zelfs connecties met de Olympische Spelen van 1928 in Amsterdam; daar kwam ook de naam vandaan.
In de jaren dertig en veertig waren er meer van die houten banen: in Bussum, Utrecht, Rotterdam, en dus ook in Badhoevedorp. Niet altijd professioneel gebouwd — vaak waren het vrijwilligers, timmerlieden en wielrenners zelf die de baan in elkaar spijkerden. Ome Paul zei dat een schuiver over die planken geen pretje was. “Je bleef niet glijden, je bleef haken,” zei hij. En dat neem ik gemakshalve maar aan.
Tijdens de oorlog werden wedstrijden stilletjes voortgezet. Niet officieel, maar tussen mannen die niet deel moesten nemen aan de Arbeidseinsatz, ook al was de wereld stijf van angst bleven ze bewegen. Paul reed er rond, misschien met oude houten velgen en een leren pet, misschien met een rugzak vol zorgen.
De tribune, zo vertelde hij later, was van houten banken met ijzeren poten. Het publiek zat er met thermoskannen en jassen over de knieën. Soms kwam er een legerauto langs de baan. Dan werd het even stil.
“Zo, Siem, ja — deze is groter en rijdt ook beter,” zei hij over zijn nieuwe Fiat. “De rolstoel past er tenminste in, en Els zit lekker.”
Binnen brandde de Faber-gaskachel. De keramische blokken met duizenden gaatjes kleurden lichtblauw en gaven een droge warmte af. Tante Els zat dicht bij het raam, haar handen gevouwen op haar schoot. Ze was Joods, en — zover ik weet — de enige of een van de weinige uit haar familie die de kampen had overleefd. Daar sprak ze nooit over. Ze was vriendelijk, zacht, en haar stem had iets zangerigs, alsof ze elk woord met zorg neerlegde.
“Kippenragout, zelf gemaakt, Rie?”
“Nee, zo’n pak met bakjes — maar de ragout wel, Els.”
Dan lachten ze, de vrouwen, alsof het even niet over vroeger hoefde te gaan.
Paul werd later vergeetachtig. Hij raakte de draad van de dagen kwijt, maar zijn glimlach bleef. Hij kwam wekelijks bij een lokale autodealer, een gewoonte die onschuldig leek totdat bleek dat hij af en toe een nieuwe auto kocht — en zich daar vervolgens niets meer van herinnerde. Tante Els had er gesprekken over, lange gesprekken, met de dealer. Want hij had twee keer zijn eigen auto ingeruild, en dus twee nieuwe Fiats gekocht, allebei op papier gloednieuw en glanzend.
Ze haalde haar schouders op toen ze het vertelde. “Ach, hij bedoelt het goed,” zei ze zacht. En dat geloofde ik haar direct.
Soms denk ik dat herinneringen zich vastzetten als de spijkers in die houten baan van Olympia — zichtbaar, scherp, niet meer los te trekken.
De baan is verdwenen. In de jaren vijftig kwamen er huizen en een voetbalveld. Er is geen bordje, geen foto, alleen wat namen in vergeelde uitslagenlijsten. Maar ergens, in een flard van middaglicht of het geluid van een fietsketting die over een tandwiel glijdt, rijdt Paul nog altijd zijn rondjes.
Rustig, met die gebreide handschoenen aan, de wind in zijn gezicht.
Reacties
Een reactie posten