Flarden
De ontmoetingen die je bijblijven in je leven.
Ik zat in een rolstoel in de wachtkamer van de röntgenafdeling toen een oude dame in een ziekenhuisbed werd binnengereden. We waren de enigen in de wachtkamer. Ze doorbrak de stilte.
‘Meneer, ik wil dood.’
Haar donkere ogen glinsterden. In haar hand hield ze een kotsbakje vast: perkamenten huid, blauwe aders, levervlekken op haar dunne armen. Haar botten leken een eigen leven te leiden, haar huid… de zwaartekracht had zijn werk gedaan.
‘Weet u,’ zei ze, ‘ik woon in Aerdenhout, in een groot huis. Iedereen die ik ken is dood. Mijn dochter is ook overleden. Ik ben drieënnegentig, ziet u.’
Het greep me aan en ik probeerde wat weg te kijken.
‘Ik heb geen zin meer,’ zei ze zacht.
Om het een andere wending te geven, zei ik: ‘Ik wil juist blijven leven. Maar dat zou, gezien alles wat er gaande is, weleens lastig kunnen zijn.’
Ze glimlachte, mooi en bijna moederlijk.
‘Zullen we dan maar ruilen?’ zei ze. ‘Dan blijft u leven, en ga ik eerder dood.’
De wachtkamer vulde zich met mensen. We keken elkaar nog één keer aan. Een zuster kwam, haalde het bed van de rem en begon het bed te draaien.
‘Ik geloof dat ik weer ga,’ zei ze, terwijl ze het kotsbakje pakte en naar me zwaaide. ‘Ik hoop dat u blijft leven.’
‘Ik hoop dat u snel doodgaat!’ riep ik haar achterna.
De menigte in de wachtkamer keek me meewarig en afkeurend aan.
Reacties
Een reactie posten