Pound Foolish, Penny Wise
Ergens rond 2010 moest ik naar Milaan voor een beursbezoek. Onder meer naar de Salone del Mobile — de hoogmis van design, waar stoelen belangrijker zijn dan mensen en verlichting religieuze proporties aanneemt.
De laatste keer dat ik daar was, in 2004, zat ik met mijn collega Barry in de metro, één halte voor de Fiera. Plots werd de trein stilgezet. Politie. Militairen. Machinegeweren. We werden de wagon uit gesommeerd. Later bleek het een verijdelde aanslag van Al-Qaeda.
Sindsdien ben ik nooit meer nerveus geweest om te vliegen. De kans dat je twee keer zoiets meemaakt lijkt me statistisch verwaarloosbaar. Alsof er twee terroristen met een bom in hetzelfde vliegtuig zitten zonder dat ze van elkaar weten wat ze van plan zijn.
Hoewel — Hannie Schaft en Truus Menger gingen ook achter Fake Krist aan. En uiteindelijk was het Zwarte Kees die hem te pakken kreeg, vanuit een zolderraam aan de Haarlemse Westergracht. Geschiedenis laat zich niet altijd berekenen.
Een beursreis was altijd gedoe. Maanden van tevoren werd alles geregeld, en op het laatste moment haakten er steevast extra collega’s aan. Dat resulteerde erin dat ik samen met de eigenaar op een EasyJet-vlucht naar Milaan-Malpensa Airport zat voor €45, terwijl de rest met een andere maatschappij naar Milaan-Linate Airport vloog.
De eigenaar — ietwat narcistisch, chronisch zuinig — hield graag de hand op de knip. Maar kocht wél voor vijf euro extra een VIP-entrypass. Dan leek het tenminste nog wat. Een overtuigd vegetariër, in een Wellensteyn-jas met een bontkraag van hondenbont.
Het werd pas echt mooi toen hij naast een jonge blonde vrouw ging zitten en quasi-imponerend een gesprek begon. Een betoog over pasgeboren lammetjes. Over hoe je die toch niet kon eten. Over morele keuzes. Over bewust leven.
Bla. Bla. Bla.
Zij luisterde even. Keek hem aan. En zei laconiek:
“Maar een jas met een kraag van dode honden vindt u dan wél oké?”
Ik heb hem die jas daarna nooit meer zien dragen.
Vanaf Malpensa namen we een taxi naar Linate. Drie kwartier. €145. De meter liep vrolijk door terwijl wij wachtten op de collega’s die daar al lang hadden moeten staan. Milanese logica.
De chauffeuse manoeuvreerde soepel door het verkeer. Toen de eigenaar uitstapte om de rest te zoeken, bleef ik met haar achter in de taxi. Ze sprak nauwelijks Engels. Een beetje Spaans. Mijn Italiaans stopt bij mille grazie en due espressi.
Toch kwamen we eruit. Met handen. Met ogen. Met enthousiasme.
Het gesprek ging over olijfolie. En voor ik het wist zaten we midden in een les over de perfecte risotto.
“Het allerbelangrijkste,” zei ze, terwijl ze met haar hand een denkbeeldige pan tekende, “zijn verse ingrediënten. En de bouillon. De bouillon moet met liefde worden gekookt. Langzaam. Met aandacht.”
Ze liet zien hoe je fijngesneden ui en geperste knoflook in olijfolie laat smelten. Niet bakken — smelten. Dan de Arborio-rijst erbij, tot iedere korrel glanst. Bouillon toevoegen. Niet roeren. Wachten. Geduld.
Pas als de rijst al dente is, voeg je zalm, kabeljauw en garnalen toe. Een scheut Marsala. Basilicum. Peper.
Klaar.
Toen waren we €120 verder en arriveerden de collega’s eindelijk. Vijf uur beurs. Stoelen kijken. Handen schudden. Visitekaartjes verzamelen.
En weer terug naar Luchthaven Schiphol.
Soms denk ik aan die risotto. Aan hoe zij zei dat liefde het belangrijkste ingrediënt was. Niet de rijst. Niet de vis. Niet de wijn.
Liefde.
Misschien had ze gelijk.
Maar op de terugweg dacht ik vooral:
die VIP-pass van vijf euro was nog het goedkoopste aan de hele reis.
Pound foolish.
Penny wise.
En ergens tussen Malpensa en Linate begreep ik dat zuinigheid zonder wijsheid duurder is dan een pan risotto met aandacht.
Reacties
Een reactie posten