De Taal van de Angst
De Taal van de Angst
1. De School die Niet Spreekt
De Taalplusschool lag verscholen tussen grijze nieuwbouwblokken, alsof het zich wilde verbergen voor de stad. Binnen rook het naar geprinte lesmaterialen, oude koffie en vermoeidheid.
Toen Lou na de zomer terugkeerde, herkende ze bijna niemand meer. Nieuwe gezichten, nieuwe docenten, nieuwe leiding. Daarom had ze samen met collega Annemarie een groepsapp aangemaakt: Taalplus Uit & Thuis. Een poging om saamhorigheid terug te brengen.
Het werkte verrassend goed: binnen een week zaten er zestig mensen in de groep. Docenten, administratie, facilitair, zelfs management. Alleen al daarom had Lou meer contact met Annemarie gekregen—vriendelijk, warm, eerlijk.
Totdat M verscheen.
2. De Opkomst van M
M had ooit een zachte, bijna fluisterende manier van praten die mensen geruststelde. Ze zat bij Team Alfa, de groep die analfabete cursisten begeleidde.
Toen de teamleider ineens ziek uitviel, nam M ongemerkt de rol over. Het management vond dat prima—het bespaarde hen werk.
Maar Lou merkte al snel dat er onder de oppervlakte iets verborgen zat. Een spanning. Een drukkende aanwezigheid.
En vooral: M en Annemarie waren heel close. Te close misschien.
3. De Eerste Scheur
Het begon klein. M die Annemarie afsnauwde bij de koffieautomaat. M die haar correcties tijdens vergaderingen negeerde. M die plotseling uit de hoogte deed, alsof Annemarie een stagiaire was.
“Ze doet raar,” fluisterde Annemarie op een dag.
Lou had alleen geknikt. Ze had het zelf ook gezien.
Maar niemand bij de directie luisterde. Niemand wilde iets zien.
4. De Stemmen in de Nacht
Toen brak de storm los.
Cursisten kregen fluisterende voicemails:
“Pas op voor haar. Ze vermoordde baby’s. Ze is gevaarlijk.”
Docenten kregen nachtelijke berichten vol chaos, dreiging en massieve angst.
Zelfs de directie ontving geluidsfragmenten waarin M snikkend en schreeuwend dingen beweerde die geen mens in gezonde toestand zou zeggen.
Annemarie liet Lou alles horen.
En Lou hoorde iets wat ze nooit zou vergeten:
Niet alleen waanzin.
Maar woede.
Een bijna dierlijke woede.
Alsof M niet alleen psychisch instortte, maar iets anders ontwaakte—iets dat al langer had liggen wachten.
5. De Zwijgende School
Annemarie stapte naar de directie.
Hun reactie was kil, afwijzend, bijna vijandig.
“Er is ook altijd wat met jou.”
“Je begint vriendschappen op het werk, dan krijg je dit.”
“Vertel dit vooral aan niemand.”
Het voelde als een duw richting uitgang.
En dat was precies wat er gebeurde: Annemarie nam ontslag.
M verdween in stilte naar een psychiatrische kliniek.
De school ademde opgelucht.
Maar voorspoed duurt nooit lang.
6. De Terugkeer
Een paar weken geleden kwam M terug. Halve dagen.
Alsof er niets gebeurd was. Alsof de stemmingswisselingen, het angstaanjagende gedrag, de haatberichten en beschuldigingen nooit hadden bestaan.
Ze zat aan de docententafel met haar zachte, hese stem.
Mensen lachten met haar.
Niemand stelde vragen.
Alleen Lou.
Lou zweeg, maar haar blik stond scherp.
En ze merkte iets.
Fluisteringen achter haar rug.
Blikken.
Een subtiele verandering in houding wanneer ze binnenkwam.
M praat over mij, dacht Lou.
Ze voelde het in haar botten.
7. De Donkere Geschiedenis van M
Lou begon te graven. Niet formeel—gewoon praten, luisteren, observeren.
En wat ze vond, maakte haar bloed koud.
In haar vorige baan was M betrokken geweest bij mysterieuze sterfgevallen, allemaal binnen kwetsbare groepen.
De officiële dossiers spraken over “uitgeputte vluchtelingen”, “verwaarlozing”, “ongelukken”.
Maar er was een patroon.
Een stil patroon.
M verscheen altijd ergens in de buurt.
Als hulpverlener.
Als vertrouwenspersoon.
Als redder.
En telkens stierf iemand die te afhankelijk van haar was geworden.
Een seriemoordenaar zoekt geen sensatie.
Geen bloed.
Een echte seriemoordenaar zoekt macht.
Controle.
Volledige overgave van het slachtoffer.
Lou zag ineens M’s fixatie op Annemarie in een ander licht.
8. De Laatste Waarschuwing
Lou liep op een ochtend de docentenkamer in.
M keek op, glimlachte dat zalvende, lege glimlachje.
“Goedemorgen, Lou,” zei ze zacht.
Te zacht.
Lou voelde iets in haar keel samentrekken.
Het was geen angst.
Het was woede.
Ze dacht aan wat ze de directie had gezegd:
“Wat gebeurt er als ze haar pilletjes vergeet? Ben ik dan de volgende?”
Het antwoord wist ze inmiddels.
9. De Nacht van de Waarheid
Die avond ontving Lou een bericht.
Een voicemail.
Een vrouwenstem, schel, fluisterend, bibberend.
“Lou… ik weet dat je het weet… Jij bent niet veilig…”
Het was niet M.
Het was een cursist.
Een van de meest kwetsbare.
Ze vertelde dat M haar had ingefluisterd dat Lou “een gevaar” was.
Dat Lou “alleen maar goedschiks zou verdwijnen”.
Dat “mensen zoals Lou altijd vallen”.
De volgende dag kwam de cursist niet opdagen voor les.
En werd ’s avonds gevonden in de duinen.
Geen sporen van geweld.
Geen verwondingen.
Alleen een verstikkende stilte.
De politie noemde het zelfdoding.
Maar Lou wist beter.
10. De Jacht Begint
M liep nog altijd door de gangen van de school.
Met haar zachte stem.
Met haar kalme glimlach.
Maar Lou had haar door.
En M wist dat.
Er zou een moment komen dat iemand zou breken.
En Lou wist:
Het wordt niet ik.
DEEL 2 — Onder Huid en Schaduw
Vervolg op “De Taal van de Angst”
1. De Stilte voor de Val
Lou merkte het meteen toen ze de docentenkamer binnenkwam:
de stilte klapte dicht als een net.
M zat aan het raam, handen netjes gevouwen, glimlach zonder warmte.
Twee collega’s fluisterden iets tegen elkaar, keken weg toen Lou hen aankeek.
Er was iets verschoven.
M keek op, een fractie te langzaam.
“Goedemorgen, Lou,” zei ze weer.
Die stem.
Alsof elke klank door honing werd getrokken om het gif te verbergen.
Lou voelde haar schouders verharden.
Ze wist dat M bezig was haar positie te ondermijnen, opnieuw te beginnen waar ze bij Annemarie was geëindigd.
Maar Lou was geen Annemarie.
2. De Onderzoeker
Lou had een vertrouwelijke afspraak gemaakt met een rechercheur die ze kende uit een oude buurtraadwerkgroep: inspecteur Joris van Hout. Een nuchtere man met grijze slapen en een scherp instinct voor dingen die niet kloppen.
Ze vertelde hem alles. Niet de roddels, maar de feiten:
• de voicemails
• het stalkende gedrag
• de cursist die dood was gevonden
• de terugkeer van M op school zonder enkele waarborg
Joris luisterde lang, zweeg nog langer.
Toen zei hij:
“Lou… wat jij beschrijft, is het profiel van een coercive controller, iemand die slachtoffers psychologisch vastdraait. En soms—heel soms—verandert dat in moord zonder dat het ooit als moord wordt geregistreerd.”
Lou voelde koude rillingen langs haar rug.
“Mag ik haar spreken?” vroeg hij.
Lou aarzelde.
“Pas op,” zei ze.
Joris keek op.
“Ben ik in gevaar?”
Lou knikte langzaam.
“Ze pikt de zwakste plekken eruit. En ze heeft jou nog niet geroken. Maar ze zal het doen.”
3. De Confrontatie in het Lokaal
Het gebeurde sneller dan Lou dacht.
Na haar les bij Team Alfa vond ze M in haar lokaal.
Zonder kloppen.
Zonder reden.
Alsof ze er thuis hoorde.
“Wat wil je?” vroeg Lou.
M glimlachte.
“Je les was… inspirerend. Ik kom even kijken hoe je het doet.”
“Je hoort niet in mijn lokaal,” zei Lou.
M kwam dichterbij.
Te dichtbij.
Haar ogen waren rustig, maar leeg.
“Lou… je weet te veel.”
Lou voelde haar adem verstijven.
“Over jou? Of over wat jij anderen laat denken over mij?”
M schudde langzaam haar hoofd.
“Over wat er moet gebeuren. Met jou.”
Op dat moment ging de deur open.
Een cursist stond daar, onwetend, en vroeg wanneer de les begon.
M gleed naar buiten, glimlach terug, alsof er niets was gezegd.
Lou beefde van woede, niet angst.
4. De Draadjes in de Schaduw
Vanaf de volgende dag gebeurde het snel.
Lou merkte:
• collega’s die plots afstandelijk deden
• cursisten die haar vermeden
• een administratief medewerker die haar vroeg “of het waar was wat M had gezegd”
M werkte sneller dit keer.
Gerichter.
Gevaarlijker.
Lou noteerde alles.
Elke opmerking, elke blik, elke verschuiving.
En stuurde het door naar inspecteur Joris.
Hij reageerde kort:
“Blijf in beweging. Ze probeert je te isoleren.”
5. De Nacht op het P-Schoolplein
Het was vrijdagavond toen Lou nog even terugging om haar laptop op te halen.
Het plein was leeg, de lucht zwaar met mist.
Bij de fietsenstalling hoorde ze een zacht schurend geluid.
Fluisterend bijna.
Voetstappen?
Lou stopte.
“Kijk niet om,” fluisterde een stem in haar hoofd.
Maar ze keek wél.
Aan de overkant van het plein stond M.
Stil.
Onbewogen.
Alsof ze uit de mist was gesneden.
Lou bleef staan.
Kil.
Afwachtend.
M liep langzaam naar haar toe, elke stap precies afgemeten.
“Lou… je maakt het jezelf moeilijk.”
Lou wilde antwoorden, maar haar stem werkte niet.
M stond op een meter afstand.
“Je bent niet zoals Annemarie,” zei ze zacht. “Jij vecht terug. Dat… maakt het anders.”
Anders.
Het woord bleef hangen als een belofte of een dreiging.
Lou stapte achteruit.
M bleef staan.
En glimlachte.
Lou sprong op haar fiets en reed weg zonder om te kijken.
6. De Ontrafeling
Joris belde de volgende ochtend vroeg.
Zijn stem klonk gespannen.
“Lou… ik heb iets gevonden.”
Hij vertelde:
• drie dossiers uit M’s vorige baan waren verdwenen
• namen van kwetsbare cliënten kwamen overeen met patronen van M’s aandacht
• gemeld psychisch instorten, daarna overlijden
• telkens onder mysterieuze omstandigheden
“Maar er is geen juridisch bewijs,” zei Joris. “Alleen cirkels. En jij staat nu in het midden.”
Lou zweeg lang.
“Wat nu?” vroeg ze.
“Ik moet haar officieel spreken,” zei Joris. “Maar als ze doorheeft dat jij met mij praat—”
Lou vulde aan:
“—word ik haar volgende project.”
7. De Breuklijn
Maandag kwam M niet opdagen.
Klas afgezegd.
Telefoon uit.
Geen boodschap.
De school deed alsof het weer “privéredenen” waren.
Maar Lou wist beter.
M trok zich nooit terug.
Niet zonder reden.
’s Avonds kreeg Lou een bericht van een onbekend nummer.
Een foto.
Een tafel in de docentenkamer.
Haar stoel.
Met daarop een witte envelop.
Bijschrift:
Voor Lou. Alleen Lou.
Lou’s hart bonsde.
“Ga er niet heen,” appte Joris meteen nadat ze het naar hem had doorgestuurd.
Lou typte:
Te laat. Ik móét weten wat erin zit.
8. De Envelop
De school was donker.
Lou liep door de stille gangen, haar voetstappen klonken te hard.
In de docentenkamer lag de envelop precies zoals op de foto.
Zonder afzender.
Zonder naam.
Ze maakte hem open.
Binnenin lag één vel papier.
Met ronde, nette, bizarre handschriftjes.
Er stond slechts twee zinnen:
Ik ben nog niet klaar.
En jij ook niet.
Lou voelde een koude rilling over haar ruggengraat trekken.
M was niet gevlucht.
M was begonnen.
DEEL 3 — De Schaduw onder de School
De jacht versnelt
1. De Envelop
Lou zat thuis in haar kleine keuken, de envelop naast haar op tafel.
Die twee zinnen prikten als naalden door haar gedachten:
Ik ben nog niet klaar.
En jij ook niet.
Ze bleef ze fluisterend herhalen terwijl ze naar de vochtkringen op het plafond staarde.
Ze wist één ding zeker:
M was niet meer verward.
Niet psychotisch.
Niet “kwetsbaar”.
M was gefocust.
En Lou was nu haar middelpunt.
2. Huub Draadman Verdwijnt Even
Inspecteur Huub Draadman was die dag niet bereikbaar.
Lou belde hem drie keer, stuurde berichten, niets.
Geen blauwe vinkjes.
Geen voicemail.
Geen antwoord.
Pas om kwart over vier kwam er een bericht binnen:
“Ik zit ergens in. Bel je later. Blijf binnen tot ik iets zeg.”
—H.D.
Lou staarde lang naar die letters.
De toon was anders dan anders: kort, strikt, alsof hij al bekeken werd.
Ze wist dat hij iets had ontdekt.
Iets groters dan een dossier dat verdwenen was.
En dat hij het nog niet kon zeggen.
3. De Nachtelijke Schim
Die nacht werd Lou wakker van een geluid.
Een tik.
Heel zacht.
Aan de achterkant van het huis.
Ze lag doodstil en luisterde.
Nog een tik.
Trager.
Alsof iemand met een vinger langs het keukenraam streek.
Lou stond op, voetstappen op het koude laminaat.
Ze trok het gordijn een millimeter opzij.
Niets dan donker.
Maar net toen ze het gordijn wilde laten vallen, zag ze het:
Een schim.
Smal.
Onbeweeglijk.
Met een lichte kanteling van het hoofd—alsof het figuur luisterde.
Lou hield haar adem in.
Het figuur stapte achteruit, langzaam, tot het opging in de schaduw van de brandgang.
Geen rennen.
Geen schrik.
Alsof het een boodschap had doorgegeven.
Lou wist zonder twijfel:
M was daar geweest.
4. Huub’s Ontdekking
De volgende ochtend belde Huub.
Zijn stem klonk gespannen, gejaagd, maar beheerst.
“Lou, luister—ik heb toegang gekregen tot ongecensureerde interne meldingen van M’s vorige werkgever. Je moet weten: ze is eerder onderzocht. Meerdere keren zelfs.”
Lou voelde een koude golf door zich heen gaan.
“Onderzocht… waarvoor?”
Voor een seconde hoorde ze alleen adem door de lijn.
Huub zei tenslotte:
“Manipulatie van kwetsbare cliënten. Mogelijke betrokkenheid bij een verdwijning. En…”
Hij pauzeerde.
“…een zaak die nooit als moord is gekwalificeerd, maar—Lou—het patroon is identiek.”
Lou kneep de telefoon bijna kapot.
“En waarom is ze nooit aangeklaagd?”
Huub’s antwoord was donker en bitter:
“Omdat ze altijd instortte voordat de zaak kon worden geopend. Psychose. Opname. Alles werd medische nood en overmacht. En zodra de storm voorbij was… verdween het dossier van de radar.”
Lou zat stil.
Dit was niet alleen een gevaarlijke vrouw.
Dit was iemand die wist hoe ze haar eigen waanzin als schild kon gebruiken.
5. De Lege School
Huub wilde M officieel spreken.
Dat was een risico—maar ook noodzakelijk.
Ze hadden afgesproken elkaar te ontmoeten bij de school.
Lou ging alvast vooruit om hem binnen te laten.
Maar toen ze door de hal liep, merkte ze het meteen:
Het was te stil.
Niet de rustige stilte van een lesdag.
Maar een doffe, lege stilte.
Er stonden kopjes op de docententafel.
Jassen over stoelen.
Een geopende laptop.
Alsof iedereen ineens was opgestaan en verdwenen.
“Hallo?” riep Lou.
Het enige antwoord was het zachte, elektronische gezoem van de TL-lampen.
Toen hoorde ze iets klikken.
Een deur.
Heel zacht.
Ze draaide zich langzaam om.
Op de muur bij het prikbord hing een briefje dat er eerder niet hing:
Lou —
Beneden.
Alleen.
—M
De lucht werd ijl.
Maar Lou wist dat ze moest gaan.
Niet omdat ze roekeloos was, maar omdat ze voelde dat dit het moment was waar alles naartoe had gewerkt.
6. De Kelder
De trap naar de kelder van de Taalplusschool was smal, oud, vol echo’s.
Lou daalde af met elke vezel in haar lichaam gespannen.
Beneden brandde maar één lamp, flikkerend.
“M?” riep Lou.
Stilte.
En toen, zacht, bijna lief:
“Je kwam toch. Ik wist dat je zou komen. Jij begrijpt mij.”
Lou’s adem schokte.
M stond achterin de ruimte, haar silhouet afgetekend tegen een rij archiefkasten.
“M,” zei Lou, “dit stopt nu.”
M kwam langzaam dichterbij.
Haar ogen glansden, niet door gekte, maar door iets veel gevaarlijkers: helderheid.
“Ze zagen me nooit,” fluisterde ze.
“Ze luisterden nooit. Maar jij… jij ziet alles.”
Lou zette een stap achteruit.
“En daarom wilde je me breken.”
M glimlachte.
“Nee Lou… ik wilde je hebben.”
Net op dat moment klonk er boven in het gebouw een deur die met kracht openvloog.
“Politie! Stilstaan!”
Huub’s stem. Hard. Snijdend.
M’s gezicht verstarde.
Geen paniek—maar pure berekening.
Ze draaide zich om en rende.
Lou stormde achter haar aan de trap op, precies op het moment dat Huub met twee agenten de gang binnenkwam.
“Daar!” schreeuwde Lou.
Maar M was snel.
Veel sneller dan ze eruitzag.
Ze dook een zijgang in, richting het oude noodtrappenhuis.
Huub rende achter haar aan terwijl hij riep:
“Lou, blijf daar! Dit wordt gevaarlijk!”
7. De Hoogte
Lou bleef niet staan.
Ze rende achter Huub aan, haar longen brandend, tot ze het metalen trapportaal bereikten.
Boven hen, drie verdiepingen hoger, hoorde ze metaal ratelen.
M klom naar het dak.
Huub keek naar Lou en knikte scherp:
“Blijf achter me.”
Ze stormden omhoog.
Boven op het dak stond M bij de rand, de gure wind in haar gezicht.
Ze leek groter daar, dreigender, alsof de hoogte haar kracht gaf.
“Stop!” riep Huub.
Maar hij hield zijn wapen laag—hij wist wat een dreiging zou doen bij iemand die op het randje stond.
M keek van Huub naar Lou.
“Zie je, Lou? Zelfs nu komt hij pas als het te laat is.”
Lou voelde een woede die brandde als zuur.
“Je bent niet sterker dan wij,” zei ze.
M’s glimlach breidde zich uit.
“Maar ik ben ongrijpbaar. Dat ben ik altijd geweest.”
Ze zette één stap achteruit, haar hielen over de rand.
Lou schreeuwde:
“M, doe dit niet!”
Maar M’s ogen waren glashelder.
“Lou… dit is geen einde. Dit is een pauze.”
En toen liet ze zich vallen.
Huub vloekte.
Een agent riep om assistentie.
Lou stond stil als steen, haar keel dichtgesnoerd.
Ze rende naar de rand en keek naar beneden.
Maar er was geen lichaam.
Alleen een vervormd stuk dakbedekking, en een open klepraam naar een lager gedeelte van het gebouw.
Ze was verdwenen.
8. De Nasleep
Uren later, terwijl agenten het terrein doorzochten, zat Lou in de docentenkamer.
Haar handen trilden eindelijk, nu de adrenaline wegzakte.
Huub kwam binnen, zijn gezicht grauw.
“We hebben geen spoor van haar. Ze moet door dat raam zijn gekomen, maar daarna… niets. Ze is als rook.”
Lou keek hem aan.
“Ze komt terug.”
Huub knikte langzaam.
“Daar ben ik bang voor.”
Lou stond op, pakte haar jas en keek nog één keer naar de lege stoel van M.
“Ik ben nog niet klaar,” fluisterde ze.
“En zij… zeker niet.”
DEEL 4 — De Jacht Buiten de School
Waar de stad groter is dan de schuilplaatsen, en de schaduwen langer zijn dan de dag.
1. De Straat die Anders Voelde
Drie dagen waren voorbij sinds M van het dak was verdwenen.
Lou liep door haar straat alsof hij veranderd was.
Niet zichtbaar—dezelfde stoepen, dezelfde lantaarns, dezelfde struiken die door de hekken groeiden—
maar er hing iets.
Een dun laagje wantrouwen over alles.
Ze keek bij iedere hoek vluchtig om.
Bij elk raam dat donker bleef.
Bij elk geluid dat te zacht was om echt te duiden.
Huub had gezegd dat ze moest proberen “normaal” te doen.
Alsof dat nog bestond.
2. Huub’s Nieuwe Informatie
Die middag zat Lou op het bureau tegenover Huub Draadman.
Zijn bureau lag vol foto’s.
Niet van slachtoffers—maar van bewegingspatronen.
Camera’s.
Schimmen.
Vage silhouetten van een vrouw met een capuchon.
Huub tikte met zijn pen op een kaart.
“We hebben haar minstens drie keer in de buurt van jouw straat gezien. Tussen twee en vijf uur ’s ochtends.”
Lou voelde haar hart opzwellen tot een harde, dikke knoop.
“Ze volgt me.”
Huub knikte langzaam.
“Ze kiest haar momenten. Ze wil gezien worden zonder gepakt te worden. Dat is controle.”
Lou probeerde zich groot te houden, maar ze hoorde haar eigen stem kleiner worden.
“En wat nu?”
Huub keek haar aan, zijn ogen donker van zorgen die hij niet volledig uitsprak.
“Nu moeten we haar ritme doorbreken. En jou beschermen.”
Lou trok haar jas dichter om zich heen.
“Je bedoelt: ik mag niet meer naar huis.”
Huub:
“Niet alleen.”
3. De Vluchtige Boodschap
Die avond sliep Lou niet thuis.
Ze sliep bij haar zus, maar ze voelde zich nergens echt binnen.
Alsof M altijd net achter de deur stond.
’s Ochtends ging ze toch even langs haar huis.
Op haar deurmat lag iets.
Een ansichtkaart.
Geen envelop.
Alleen een kaart.
Een nachtelijke foto van een verlaten pier.
Op de achterkant:
Lou —
Ik zie hoe je vecht om jezelf te blijven.
Dat vind ik mooi.
—M
Lou liet de kaart meteen aan Huub zien.
Hij draaide hem om en bestudeerde de pier.
“Dit is IJmuiden,” zei hij.
“De zuidpier. De foto is oud, jaren negentig. Maar de keuze is bewust.”
Lou sloot haar ogen.
“IJmuiden. Mijn jeugd.”
Huub keek op.
“Ze wil je terugleiden naar je oorsprong. Dat doen stalkers vaker—ze creëren een intieme cirkel waarin jij en zij een gedeelde geschiedenis lijken te hebben.”
Lou voelde de wereld kleiner worden, intenser.
“Wat wil ze dat ik daar doe?”
Huub’s blik werd scherp.
“Ze wil dat je komt.”
4. De Zuidpier
Huub stond erop dat Lou niet alleen ging.
Hij reed zelf.
Het was laat in de middag, de lucht grijsblauw en zwaar.
De zee klotste wild tegen de stenen.
Ze liepen samen over de lange, smalle pier.
Vogels krijsten.
De wind was snijdend en zout.
Halverwege vond Lou het.
Een sjaaltje.
Lichtblauw.
Zomerachtig.
Opvallend zacht—veel te zacht voor dit soort plek.
Huub pakte het voorzichtig op met een handschoen.
“Dit is vers. Nog geen uur oud.”
Lou keek naar de golven, die klapten en wegvielen in het schuim.
“M wilde dat wij dit vonden,” fluisterde ze.
Huub trok haar zacht aan haar arm en leidde haar terug richting de auto.
“Dit is niet zomaar een spoor. Dit is een uitnodiging.”
5. Het Apartment
Die avond bracht Huub Lou naar een beveiligd gastenverblijf dat de politie vaker gebruikte voor bedreigde getuigen.
Een kleine studio, veilig maar kaal.
Lou zat op het bed terwijl Huub aan het raam keek.
“Ze wil een ontmoeting,” zei Lou zacht.
Huub draaide zich om.
“Ja. Maar niet zomaar één. Ze wil dat jij het gevoel krijgt dat je haar zélf moet zoeken.”
Lou keek hem aan.
En voor het eerst zei ze wat ze diep vanbinnen al wist:
“Ze heeft een plan met mij, Huub.”
Huub stapte dichterbij.
“Maar wij hebben een plan met haar.”
6. De Nachtelijke Wandelaar
Diezelfde nacht, terwijl Lou probeerde te slapen, ging in de verte een sensorlamp aan.
Lou ging rechtop zitten.
Ze liep naar het raam.
Op de parkeerplaats buiten, half in de schaduw, stond iemand.
Een silhouet.
Smal.
Stil.
En deze keer keek het silhouet recht naar boven.
Recht naar haar raam.
Lou hapte naar adem.
Dit was geen toeval.
Dit was geen observatie.
Dit was een boodschap.
Ze pakte haar telefoon.
Huub nam direct op.
“Ze staat beneden,” fluisterde Lou.
“Ga van het raam af,” zei hij onmiddellijk.
“Raak de gordijnen niet aan. Ik ben onderweg.”
Lou deed een stap achteruit.
En beneden, alsof M haar hoorde, kantelde de schim langzaam haar hoofd.
Dé beweging.
Dezelfde beweging uit de brandgang.
Lou’s longen vulden zich met ijs.
De schim draaide zich om en liep weg—
niet rennend, niet haastig—
maar met die kalme, zelfverzekerde passen die Lou inmiddels haatte.
M was voorbereid.
M was dichtbij.
En M wist precies waar Lou was.
DEEL 5 — De Bovenwoning
1. De Stilte Voor Het Nieuws
Het was een kille donderdagmorgen toen Lou’s telefoon ging.
Een onbekend nummer.
Ze aarzelde, nam op.
Een beheerder van de woningcorporatie.
Met een stem die veel te opgewekt klonk voor wat hij vertelde:
“Mevrouw… de bovenwoning van uw pand is verkocht.”
Lou’s maag draaide om.
“Verkocht? Aan wie?”
“Ja, dat staat niet in onze papieren. Maar de overdracht is vannacht notarieel bevestigd.”
Nachtelijk notarissen?
Wie deed dat?
Lou voelde haar huid tintelen, alsof haar lichaam het antwoord al wist.
Ze belde Huub meteen.
Hij zei niets.
En juist dát bevestigde alles.
2. De Sleutels in de Lucht
Die middag kwam Lou thuis.
Bij de voordeur stond een vrouw.
Zwarte jas.
Blauwe sjaal.
Hand in de zak.
Rustig glimlachend.
M.
Ze hief haar hand op, en er bungelden sleutels.
Twee stuks.
Glanzend.
Nieuw.
“Buren,” zei M zacht.
Alsof het een grap was die alleen zij begreep.
Lou deed een stap achteruit.
M bleef waar ze stond.
De sleutels lieten een zacht klingelend geluid horen, bijna muzikaal.
“Je had toch niet verwacht,” zei M, “dat ik jou zou laten weglopen uit ons verhaal?”
Lou voelde hoe haar knieën even wilden buigen, maar ze dwong zichzelf stil te blijven.
“Dit is stalking.”
M’s glimlach werd breder.
“Dit is investeren.”
3. Het Geluid van Voeten Boven Je Hoofd
Die nacht sliep Lou niet.
Ze lag starend naar het plafond, dat nu niet langer een rustige grens was maar een dunne vloer tussen haar en M.
Soms hoorde ze voetstappen.
Soms schuiven.
Soms helemaal niets.
En dat was nog erger.
Lou’s dochter — Fay, zestien, regionaal kampioen kickboksen — sliep in de kamer naast haar.
Fay merkte alles sneller dan Lou wilde toegeven.
“Waarom doet die vrouw zo?” vroeg Fay bij het ontbijt.
Ze roerde in haar yoghurt alsof het haar tegenwerkte.
“Ziekte, lieverd,” zei Lou.
“Maar ze komt niet voor jou.”
Fay keek haar moeder lang en scherp aan.
“Dat zou ze eens moeten proberen.”
Lou glimlachte zwak.
Fay was sterk.
Slim.
Per definitie niet naïef.
Maar M had iets dat sterker was dan spierkracht.
Invloed.
Charmetactiek.
Het vermogen om onder iemands huid te kruipen.
4. De Eerste Toenadering
Het was drie dagen later dat Fay thuiskwam van trainen.
Lou hoorde de voordeur dichtslaan, dacht er niets van — tot Fay zei:
“Mam? Die vrouw van boven… ze stond buiten bij de fietsenstalling.”
Lou schoot overeind.
“Wat zei ze?”
Fay haalde haar schouders op.
“Niets engs. Ze vroeg of ik degene was die kickbokst. Ze wist m’n naam. Ze zei dat ze me had zien trainen in de sportschool verderop.”
Lou’s hart zakte weg.
M was nooit in die sportschool geweest.
Dat wist ze zeker.
“Ze zei dat ik talent heb. Dat ik… dat ze me misschien iemand kan voorstellen die me kan helpen hogerop te komen.”
Lou voelde hoe haar keel dichttrok.
“Je gaat nooit met haar praten. Nooit.”
Fay keek op, verbaasd—en licht gekrenkt.
“Mam, ik ben geen kind.”
Lou’s stem brak:
“Maar zíj speelt geen spel dat jij kent.”
5. Het Klikje van de Camera
Huub Draadman kwam die avond langs.
Hij keek naar de bovenwoning, noteerde iets in zijn boekje.
“Dit is escalatie,” zei hij.
“Zij wil niet alleen controle over jou. Ze wil jouw context beheersen. Je thuis, je rust, je kind.”
Hij liep naar de achtertuin en onderzocht de schutting.
“Ze observeert jullie,” zei hij zacht.
Toen hoorde Lou het.
Een klik.
Heel zacht.
Van boven.
Ze keken tegelijk omhoog.
Een schim achter het raam.
Een silhouet.
Lang.
Smal.
M.
Een seconde.
Misschien twee.
Maar het was genoeg.
6. De Verstoring
Die nacht, iets na twee uur, begon het.
M liet muziek draaien.
Niet hard.
Vreemd genoeg zelfs mooi.
Oude Arabische liefdesliederen, zacht door het plafond vibrerend.
Als een wiegelied, maar verkeerd.
Lou liep naar Fay’s kamer.
Fay zat rechtop.
“Ik ga naar boven,” zei Lou.
“Vertel me dat je een grap maakt,” zei Fay.
Lou ademde diep.
“Als ik niet ga, komt ze dichterbij.”
Fay stond op.
“Dan ga ik mee.”
“NEE.”
Het klonk harder dan bedoeld, en even schrok Fay.
Lou zag de verwarring in haar ogen.
Diezelfde blik die ze vroeger had als ze van de klimrekken viel:
een mengeling van pijn en boosheid.
“Lieverd,” fluisterde Lou,
“ze kiest zwakke plekken. Ze zoekt aandacht. En jij bent… waardevol voor me. Dat maakt je kwetsbaar.”
Fay keek haar aan, lang.
En knikte toen.
“Goed. Maar ik wacht beneden. En als je één seconde te lang blijft, kom ik je halen.”
7. De Bovenwoning
Lou ging de trap op, langzaam.
Elke trede kraakte.
Ze klopte.
De deur ging meteen open.
Alsof M al klaarstond.
M glimlachte zacht.
“Lou… welkom. Eindelijk.”
Lou stapte niet naar binnen.
“Stop hiermee,” zei ze.
“Je koopt geen huizen boven mensen om ze te beheersen.”
M kantelde haar hoofd.
Diezelfde beweging.
Diezelfde onnatuurlijke rust.
“Ik koop geen huizen,” fluisterde ze.
“Ik koop ruimte. Om dicht bij jou te zijn.”
Lou kon geen woorden vinden.
M wees naar binnen.
“Mag ik je iets laten zien?”
“Nee.”
M’s glimlach veranderde van zacht naar iets anders.
Nauwkeuriger.
Snijdender.
“Ik heb een foto van Fay,” zei M.
Lou’s hart stopte.
“Van haar training. Zou je die willen zien?”
Lou deed instinctief een stap naar voren — dreigend — en M’s ogen lichtten op.
“Ik wist dat je zou komen.”
8. De Breuklijn
Beneden ging een deur open.
Fay.
Lou draaide zich om.
“FAY, BLIJF BENEDEN!”
Maar M lachte zacht, bijna teder.
“Ze is sterk, Lou. Sterk genoeg om een andere waarheid te horen.”
“Hou je mond,” siste Lou.
M leunde tegen de deurpost.
“Ze denkt dat jij haar beschermt. Maar ik bescherm haar tegen jouw angst. Ik kan haar hoger brengen dan jij ooit hebt gedurfd.”
Lou voelde iets in haar breken.
De wereld werd smaller.
Kleiner.
Rood.
“Als je haar aanraakt,” zei Lou,
“raak ik jou.”
M’s ogen glinsterden.
Alsof ze precies dat wilde horen.
“Daar wacht ik al op.”
DEEL 6 — De Breuk in het Draadwerk
1. De Notaris in de Nacht
Huub Draadman zat al uren aan zijn bureau.
De dossiers rond M lagen opengevouwen als kaarten van een oorlog die niemand wilde erkennen.
Wie koopt een woning midden in de nacht?
Wie krijgt daarvoor medewerking?
Hij vond eindelijk een naam:
Notariskantoor Havelaar & Zonen.
Klein. Onopvallend.
Maar de tijdstempel op de akte was absurd: 02:14 uur ’s nachts.
Huub belde het kantoor.
Een medewerker nam op, slaperig.
“Wij doen geen overdrachten ’s nachts,” zei de man.
“Dat is… onmogelijk. Dat mag niet eens.”
Huub was even stil.
“Dan heeft iemand jullie naam gebruikt.”
Een scherp inademen aan de andere kant van de lijn.
“Of,” fluisterde de man,
“iemand binnen ons kantoor doet iets… buiten ons om.”
Huub voelde het:
er zat beweging onder de oppervlakte.
Geen toeval.
Geen fout.
Organisatie.
⸻
2. Fay’s Onrust
Diezelfde ochtend stond Fay’s kickbokscoach voor de deur.
Een stevige vrouw met de blik van iemand die al veel té veel heeft gezien.
“Lou, ik moet met je praten.”
Fay stond achter haar, ongemakkelijk, handen in de zakken van haar hoodie.
“Wat is er gebeurd?” vroeg Lou.
De coach keek van Lou naar Fay en terug.
“Er stond gisteren iemand bij de ring,” zei ze.
“Een vrouw. Donkere jas. Blauwe sjaal. Ze stelde zich niet voor. Ze stelde alleen vragen.”
Lou greep de deurpost.
“Wat voor vragen?”
“Over Fay’s trainingsschema. Haar wedstrijden. Haar blessures.”
Ze keek scherp.
“En ze wist dingen. Privé-dingen. Dingen die jíj haar nooit hebt verteld.”
Fay keek naar de grond, kaak gespannen.
Lou voelde de lucht uit haar longen wegvallen.
⸻
3. Het Moment met de Slaande Stilte
Later die middag zat Lou op de bank, handen om een mok thee die ze niet eens proefde.
Fay kwam naast haar zitten.
“Mam,” zei ze zacht.
“Wat wil die vrouw nou echt van ons?”
Lou dacht even na.
Over alle woorden die te zacht waren om waar te zijn,
over alle blikken die te zeker waren om normaal te zijn.
“Controle,” zei ze.
“En misschien… macht. Over mij. Over jou. Over wat wij voor elkaar betekenen.”
Fay’s ogen werden donker.
“Nou, dan heeft ze pech.”
Lou glimlachte.
Maar de glimlach hield niet.
Fay zag het.
“Mam… ben jij bang voor haar?”
Lou slikte.
En antwoordde eerlijk.
“Ja.”
⸻
4. Huub’s Bezoek
Tegen de avond stond Huub voor de deur.
Hij had zijn jas aan, zelfs binnen, alsof hij zich klaar moest houden voor wat er zou komen.
“Ik heb iets gevonden,” zei hij meteen.
Hij legde papieren op de tafel.
Foto’s, schema’s, contactlijnen.
“M heeft contact gehad met drie mensen uit haar vorige baan. Ze waren allemaal onderdeel van een soort… vriendengroep.”
Hij keek Lou aan.
“Maar het is geen vriendengroep.”
Lou zag het:
de foto’s van lachende mensen, schouder aan schouder.
Maar in elk gezicht zat iets te strak.
Te geforceerd.
“Een afhankelijkheidskring,” zei Huub.
“M creëert mensen die voor haar werken. Zonder dat ze doorhebben dat ze gebruikt worden.”
Lou dacht aan Fay.
Aan de coach.
Aan de woningcorporatie.
Aan de notaris.
“Hoeveel zijn het er?” fluisterde ze.
Huub haalde zijn hand door zijn haar.
“Minstens zes. Misschien meer.”
⸻
5. De Brief
Die avond kwam M zelf niet langs.
Maar er zat wel iets onder de deur geschoven.
Een envelop.
Met twee woorden erop:
Voor Fay.
Fay wilde hem openscheuren.
Lou trok hem uit haar handen, bijna fel.
“Dat ga jij niet lezen.”
Fay keek haar boos aan.
“Ja, maar het is míjn naam!”
“En daarom juist niet.”
Fay staarde haar moeder aan — gekwetst, maar vooral bezorgd.
Lou maakte de envelop open.
Binnenin zat een foto.
Fay.
In de sportschool.
Niet van de ring.
Maar van de kleedkamer.
Ongemerkt.
Van achteren.
Op de achterkant stond:
Kampioenen worden niet geboren.
Ze worden gekozen.
—M
Lou voelde haar maag zich omdraaien.
Fay’s stem brak de stilte:
“Laat me alsjeblieft zien.”
Lou draaide zich langzaam naar haar dochter om.
“Lieverd… ze probeert je mee te trekken in haar cirkel. Dat doet ze met íedereen.”
“Maar ze krijgt mij niet,” zei Fay hard.
En Lou geloofde haar.
Maar ze wist:
dit ging niet meer alleen om beschermen.
Dit ging om overleven.
⸻
6. De Nacht van het Geluid
Tegen middernacht lag Lou wakker.
Fay sliep eindelijk.
Toen hoorde ze het.
Boven haar.
Een geluid.
Zacht.
Verend.
Alsof iemand op sokken liep.
Langzaam.
Van de voorkamer naar het achterste vertrek.
En weer terug.
En weer.
Lou stond op en liep naar de gang.
Ze bleef onder de trap staan.
Starend naar boven.
Haar adem in haar keel.
Toen: stilte.
Helemaal.
Tot één zacht tikje.
Alsof een nagel even langs het hout gleed.
Lou greep haar telefoon.
Appte Huub:
Ze loopt boven mij.
Er kwam meteen antwoord.
Ik ben onderweg. Laat de lichten uit. Ga naar Fay.
Lou keek naar boven.
Naar de schemer die onder de deur van de bovenwoning vandaan sijpelde.
Ze voelde het.
M stond daarboven.
Niet alleen aanwezig.
Maar luisterend.
⸻
7. De Inbreuk
Toen Huub arriveerde, had hij een collega bij zich.
Een jonge agent met scherpe ogen.
“Ze is niet weg,” zei Huub zacht, terwijl hij naar de trap keek.
“Ze wacht.”
De jonge agent liep voorzichtig naar boven.
Hij klopte.
Geen reactie.
Hij draaide de deurklink.
Onvergrendeld.
De deur ging langzaam open.
De bovenwoning was donker.
Kaal.
Stil.
Ze gingen samen naar binnen.
Lou bleef in de deuropening staan, hart te snel, handen koud.
Huub zette zijn zaklamp aan.
En toen zagen ze het.
Op de vloer, midden in de kamer, lag iets.
Een trainingshandschoen.
Klein.
Rood.
Van Fay.
Lou’s adem stokte.
“Die ligt altijd in háár sporttas,” fluisterde ze.
Huub knielde erbij.
Hij keek naar de stof, naar de plek waar hij lag.
“Ze is hier geweest,” zei hij.
“Niet net. Kortgeleden.”
Lou voelde haar benen trillen.
Huub stond op en legde een hand op haar schouder.
“Lou… dit is een waarschuwing.”
Lou keek hem aan.
“Waarvoor?”
Huub’s stem werd laag.
Somber.
“Omdat je iets gaat doen wat zij niet wil.”
⸻
8. Het Laatste Spoor
Beneden in de hal wilde Lou de deur sluiten.
Toen zag ze het.
Aan de binnenkant van de deur, ter hoogte van haar ooghoogte, was met de nagel iets in de verf gekrast.
Een woord.
KEUZE
Lou staarde ernaar.
Huub kwam naast haar staan.
“Dit,” zei hij,
“is geen boodschap.”
Hij keek haar aan, ernstig.
“Dit is een ultimatum.”
DEEL 7 — Het Net Sluit Zich
1. De Vermissing die Geen Vermissing Was
Het begon met stilte.
M’s bovenwoning bleef donker.
Geen voetstappen.
Geen schaduwen onder de deur.
Geen nachtelijke muziek.
Lou wachtte drie dagen, slapeloos maar alert —
tot ze zich realiseerde dat ze óók wachtte op iets anders:
een aanval.
Maar die kwam niet.
Huub Draadman kwam langs en bekeek de woning.
Niets ontbrak.
Niets wees op inbraak.
En toch was het huis…
verlaten.
Huub staarde uit het raam naar de lege trap.
“Of ze is gevlucht,” zei hij,
“of ze is iets begonnen dat groter is dan wij kunnen zien.”
Lou wist niet welke optie haar minder geruststelde.
⸻
2. De Oversteek
Terwijl Lou probeerde adem te halen, was M al dagen ver weg.
Ze stond op het dek van een gammel Turks vrachtschip dat ’s nachts van Ceyhan naar de Syrische kust voer.
De lucht rook naar diesel en zout.
De zee was een zwarte, trillende lap stof.
En M stond in het midden van dat alles alsof ze thuiskwam.
Ze droeg een wijd zwart gewaad.
Haar westerse kleding —
de jas, de blouse, de nette schoenen uit de docentenkamer —
had ze zelf verbrand op een keienstrand bij Mersin.
De vlammen hadden dansend de oude versie van haar verteerd.
“Allah zal mij sterken,” fluisterde ze.
Haar vingers gleden langs de kralen van een donker gebedssnoer.
Ze was onderweg naar Raqqa.
Naar hem.
De man die haar had gevormd.
Gescheiden, maar nooit los.
Een man die deel had genomen aan de executies op het plein waar de lichamen van jezidi’s lagen als stenen in een cirkel van dood.
En hij wachtte op haar.
Ondanks dat hij een schim was op elke lijst van gezochte IS-strijders.
Het vasten was begonnen.
En M geloofde dat ze in deze heilige periode helderder hoorde wat haar te doen stond.
⸻
3. Raqqa — Waar de Doden Fluisteren
Ze bereikte Raqqa via een smokkelroute,
helmloos op de achterbank van een Toyota-pickup,
de zon brandend op zand dat ooit een stad was.
Haar man — Zahir — stond op haar te wachten.
Zijn baard vol grijze strepen.
Zijn ogen donker, diep, en vol iets wat zowel liefde als fanatisme kon zijn.
“Je bent teruggekeerd,” zei hij zacht.
“Het was tijd,” antwoordde M.
Ze kusten elkaar als mensen die elkaar lang niet hebben gezien en misschien nooit hadden moeten kennen.
Zahir leidde haar naar een huis dat geen ramen meer had.
Boven het ingestorte pleisterwerk hingen zwartgerookte resten van vlaggen uit een verleden dat officieel voorbij was —
maar in werkelijkheid nog ademde.
“Je bent sterker geworden,” zei hij terwijl hij haar handen vasthield.
“Ik heb werk te doen,” fluisterde M.
“Daar. In Europa.”
Zahir lachte.
Het was geen warme lach.
“Dan zijn wij één lijn,” zei hij.
“Jouw vijand is mijn vijand.”
En M knikte.
Want voor haar was de wereld simpel geworden:
Er was alleen nog Lou.
En de opdracht die God via Zahir in haar hart brandde.
⸻
4. De Stilte die Lou Niet Vertrouwde
Intussen begon Lou eindelijk te merken dat het stil bleef.
Geen brieven.
Geen krassen op deuren.
Geen schaduwen boven haar hoofd.
En juist dát maakte haar bang.
“Misschien is ze opgenomen,” zei Fay hoopvol.
“Misschien moest ze stoppen.”
Maar Lou wist:
een roofdier trekt zich alleen terug om te rusten
of om te jagen.
Die ochtend zat Lou aan de keukentafel, handen om een kop thee, Rosa — haar bruine mixhond met zachte ogen — tegen haar been aan.
Ze keek naar Fay die haar tas inpakte voor training.
“Lieverd,” zei Lou,
“Ik wil even weg hier.”
Fay keek op.
“Weg? Waarheen?”
“Spanje.”
Lou’s stem werd steviger terwijl ze het zei.
“Een paar dagen zon, wandelen met Rosa, tapas… gewoon… lucht. Je hebt vakantie nodig. Ik ook.”
Fay knikte langzaam.
“Is dit vanwege haar?”
Lou antwoordde eerlijk.
“Ja. Maar ook vanwege óns.”
⸻
5. De Vlucht naar Zon
Twee dagen later zaten ze op Schiphol.
Lou met een lichte druk op haar borst — het soort spanning dat zelfs vakantie niet volledig wegneemt —
Fay met oortjes in, muziek hard genoeg om de gedachten te dempen,
en Rosa snuffelend aan de transportbench.
De vlucht naar Málaga was helder, rustig.
De lucht boven Spanje was een blauw dat leek alsof het speciaal was geboetseerd voor mensen die waren weggelopen van iets donkers.
Ze kwamen aan in een klein wit dorpje bij Nerja.
Het huis dat Lou had geboekt lag aan een rustige wandelweg, citrusbomen rondom, de zee hoorbaar in de verte.
Het was de eerste avond dat Lou merkte dat ze… ademde.
Echt ademde.
Ze aten tapas op een klein terras — warme olijven, tortilla, knoflookgarnalen —
en Rosa lag tevreden onder de tafel.
Fay keek naar haar moeder en zei:
“Mam… je ziet er weer een beetje uit als jij.”
Lou lachte.
Een echte.
En toch — ergens, diep in haar buik — zat er een druppel kou.
Want stilte was nooit zomaar stilte.
Stilte was vaak
voorbereiding.
⸻
6. Het Nieuwtje uit Nederland
Op dag drie belde Huub.
Lou nam op, terwijl ze met Rosa langs het strand liep.
De lucht was goud.
Alles was mooi.
Te mooi.
Huub zei:
“Lou… M is niet meer in Nederland.”
Lou stopte met lopen.
“Waar is ze?”
“We weten het niet precies. Maar… er zijn aanwijzingen dat ze via Turkije is gereisd. Mogelijk verder.”
Lou voelde haar hart opnieuw gaan razen.
“Wat betekent dat?”
Een korte stilte.
Toen Huub’s stem:
“Dat ze niet gestopt is.
Dat ze iets aan het voorbereiden is.
En dat jij… even uit beeld bent voor haar.”
Lou slikte.
“Dus dit is rust?”
Huub:
“Ja.”
En toen, na een pauze:
“Maar rust is soms de gevaarlijkste fase.”
⸻
7. Aan de Andere Kant van de Wereld
Terwijl Lou naar de Spaanse horizon keek,
zat M op een plat dak in Raqqa,
de oproep tot het avondgebed drijvend door de lucht.
Ze keek naar de foto van Fay die ze bij zich droeg.
Niet uit liefde.
Uit missie.
Ze draaide het gebedssnoer langzaam tussen haar vingers.
“Binnenkort,” fluisterde ze,
“zal jij begrijpen wat ik moet doen, Lou.”
Zahir kwam naast haar zitten.
“Wanneer vertrek je terug?”
“Tijdens de nacht van Laylat al-Qadr,” zei M.
“De nacht van beslissingen.”
Zahir glimlachte.
“Dan zal jouw pad gezegend zijn.”
M keek naar de verre, stille horizon —
een horizon die naar Europa wees.
“Het vasten heeft mij helder gemaakt,” zei ze zacht.
“Héél helder.”
⸻
8. De Golf die Breekt
Die avond, in Spanje, liep Lou langs het water.
Fay rende met Rosa door de branding.
Het leek bijna normaal.
Bijna.
Tot Rosa — meestal vrolijk en zachtaardig — abrupt stopte met rennen.
Ze richtte haar kop naar de duinen achter hen.
Haar rug werd strak.
Haar oren gespannen.
Fay riep haar.
Maar Rosa gromde.
Een lage, diepe toon die Lou nog nooit van haar had gehoord.
Lou kneep haar ogen samen en keek naar de schaduwen van de duinen.
Ze zag niets.
Maar ze voelde het.
Een verschuiving in de lucht.
Een aanwezigheid.
Een brekende golf in haar eigen lijf.
“Fay,” zei Lou met zachte maar scherpe stem.
“Kom hier.”
Fay kwam langzaam teruggelopen, ongerust kijkend.
“Mam… wat is er?”
Lou pakte Rosa’s riem.
“We gaan naar huis.”
Fay keek naar de duinen.
“Ik zie niks.”
Lou antwoordde niet.
Want ergens diep in haar buik wist ze:
De stilte is voorbij.
De storm is al onderweg.
DEEL 8 — Laylat al-Qadr
(De Nacht waarin Beslissingen worden Geschreven)**
1. De Nacht die Alles Bepaalt
In Raqqa hing de lucht zwaar en stoffig, alsof zelfs de wind zich inhield.
Het was Laylat al-Qadr, de nacht waarin — volgens de overlevering — het lot voor een jaar wordt neergeschreven.
Voor M voelde het als een sleutel.
Als een mandaat.
Ze stond op het dak, in haar zwarte gewaad, de maan half verscholen achter rook van verre branden.
Zahir stond achter haar, de handen op haar schouders.
“Ben je zeker van jouw pad?” vroeg hij.
M knikte langzaam.
“Mijn strijd is daar.
Bij haar.
Bij de vrouw die mijn geest heeft bezoedeld.”
Zahir keek naar haar alsof hij in haar iets heiligs zag — of iets gevaarlijks, maar dat maakte voor hem geen verschil.
Hij gaf haar een klein pakketje.
Zwaar. Metaal binnenin.
Omwikkeld met bruin papier.
“Voor bescherming,” zei hij.
“En voor uitvoering.”
M liet haar vingers over het pakket glijden.
“Het Westen zal één rechtvaardige slag niet missen,” fluisterde ze.
Zahir drukte zijn voorhoofd tegen het hare.
“Ga, mijn hart.
Keer terug als de zuivere versie van jezelf.”
M vertrok een uur later.
Via dezelfde smokkelroutes.
Dezelfde vrachtwagens.
Dezelfde chauffeurs die zwegen omdat zwijgen beter betaalde dan spreken.
De reis terug naar Europa begon.
⸻
2. Spanje – Zon op de Huid, Schaduw in de Rug
Lou voelde zich eindelijk een beetje… licht.
Ze dronk koffie op het terras van het witte vakantiehuisje.
Fay lag slaperig bij het zwembad, een boek op haar buik.
Rosa lag aan Lou’s voeten, een natte neus tegen haar enkel gedrukt.
Maar Lou voelde ook iets anders.
Een dun dradenweb van onrust, net achter haar ribben.
Ze pakte haar telefoon.
Twee gemiste oproepen van Huub Draadman.
Ze belde terug.
Huub nam direct op.
“Lou? Waar ben jij precies?”
“Spanje. Waarom?”
Een korte pauze.
“Ze komt terug.”
Lou’s adem stokte.
“Wanneer?”
“Binnen enkele dagen. Misschien eerder.”
Lou keek naar de eindeloze blauwe lucht boven haar.
Het voelde alsof die ineens lager hing.
Zwaarder.
“Huub… denk je dat ze achter mij aan komt?”
“Ik denk,” zei Huub voorzichtig,
“dat jouw naam nog altijd bovenaan haar lijstje staat.”
⸻
3. De Gouden Straatjes van Nerja
De volgende dag besloten Lou en Fay het dorpje in te lopen voor churros en verse sinaasappelsap.
Het was warm, licht, bijna zomers.
Ze liepen door smalle straatjes.
Witte muren, bloeiende bougainvillea, winkels vol keramiek.
Fay was opgewekt.
“Misschien moeten we hier elk jaar heen gaan,” zei ze.
Lou lachte.
Dat was fijn.
Te fijn.
Tot ze iets voelde.
Alsof iemand keek.
Lou draaide zich om.
Een man stond even verderop.
Een magere man, korte baard, zonnebril.
Te lang stil.
Te rechtop.
Te aandachtig.
Toen hij merkte dat Lou hem zag, draaide hij zich snel om en liep weg, in de richting van de oude wijk.
“Fay,” zei Lou rustig maar scherp.
“We gaan terug. Nu.”
Fay trok haar wenkbrauwen op.
“Waarom?”
“Dat leg ik je thuis uit.”
Ze liepen stevig door, Lou steeds kijkend over haar schouder.
De man kwam niet terug.
Maar zijn afdruk bleef in de lucht hangen.
⸻
4. Raqqa – De Boodschap
In Raqqa zat Zahir op het dak, waar de avond langzaam in de stad kroop.
Zijn telefoon trilde.
Het was een bericht.
Een foto.
Gezonden door M.
Het waren Lou en Fay.
Op het strand van Nerja.
Met Rosa tussen hen in.
Zahir glimlachte bewonderend.
“Mijn leeuwin,” fluisterde hij.
En hij stuurde haar één zin terug:
“God houdt van degenen die geduldig wachten.”
⸻
5. Spanje – De Scheur in de Vakantie
Die nacht sliep Lou bijna niet.
Rosa bleef aan haar voeteneinde staan, grommend naar het raam,
alsof er daar iets stond wat alleen honden kunnen voelen.
Om half vier werd Lou wakker van een tik.
Een klein geluid.
Glas? Steen?
Een voertuig op grind?
Ze liep zachtjes naar het raam.
De straat lag leeg.
Het maanlicht viel helder over de stoeptegels.
Ze stond al op het punt terug te lopen naar bed toen ze het zag.
Op de vensterbank lag een klein voorwerp.
Rond.
Donker.
Perfect midden neergelegd.
Lou verstijfde.
Een olijfpit.
Een enkele, diepe zwarte pit.
Een Syrisch symbool.
Een waarschuwing.
Een merkteken van wraak.
Ze voelde haar keel droog worden.
M was nog niet eens terug in Europa,
maar haar schaduwen waren dat al wel.
⸻
6. Schiphol – De Grens
Twee dagen later, bij het vallen van de nacht, landde een vrouw in een lange donkere jas op Schiphol.
Ze had nauwelijks bagage.
Geen registraties.
Niets dat opviel.
De douanebeambte keek kort naar haar paspoort.
“U bent lang weggeweest.”
“Ja,” zei M.
“Ik moest voor familie zorgen.”
De beambte knikte.
“Welkom terug.”
M liep door de schuifdeuren.
Haar ogen koud.
Gefocust.
Bijna stralend in hun fanatisme.
Ze had één bestemming.
Eén opdracht.
Eén naam waarvan haar hartslag stabiliseerde in een gevaarlijke, ritmische cadans.
Lou.
⸻
7. Spanje – De Keuze
Diezelfde avond zat Lou op het terras met een glas Rioja in haar trillende hand.
Fay lag al in bed.
Rosa snurkte zachtjes.
Lou keek naar de sterren boven Andalusië en dacht aan stilte, gevaar, grenzen die overschreden werden.
Ze wist wat haar te doen stond.
Ze pakte haar telefoon en appte Huub:
“Ik kom terug.
Het is tijd om haar vóór te zijn.”
DEEL 9 — De Val
1. De Terugkeer
Lou en Fay vlogen terug naar Nederland.
Het vliegtuig landde in een zachtgrijze ochtend, de soort lucht waarin alles er net iets killer uitziet.
Huub Draadman stond hen op te wachten bij de aankomsthal.
“Jij blijft voorlopig niet alleen,” zei hij zonder groet of omweg.
Lou knikte.
Ze voelde dat er iets hing.
Iets dat snel zou gaan gebeuren.
Ze reed naar huis, Rosa achterin, Fay stil naast haar.
En nog voordat ze de auto had uitgezet, trilde Lou’s telefoon.
Onbekend nummer.
Geen tekst. Alleen een foto.
Het dak van de Taalplusschool.
De deur op een kier.
Een enkele witte duif op de rand.
En daarnaast een korte zin:
“Kom. We maken het af.”
Lou’s hart klopte hoog in haar keel.
Het was háár dak — haar oude school — de plek waar ze jaren had gewerkt, gelachen, lesgegeven.
En waar M nu stond te wachten.
⸻
2. De School in de Avond
Die avond stormde het licht.
Een rare Nederlandse voorjaarswind, wild maar warm.
Lou stond met Huub voor de ingang van de Taalplusschool.
Het gebouw was donker.
Alleen de lantaarns langs de parkeerplaats gaven een gelige gloed.
“Ga niet alleen naar boven,” zei Huub.
Lou keek hem strak aan.
“Ik wil dit beëindigen.”
Huub knikte.
Hij ging mee.
Ze duwden de zware schooldeur open.
Het geluid van hun voetstappen weerkaatste in de lege gangen.
Langs de lockerkasten.
Langs de posterborden.
Langs de stille lokalen waar altijd geroezemoes had gehangen.
Tot ze de trap bereikten.
Het was donker.
Klammig.
En helemaal bovenaan — in het schaarse licht van de maan door een vieze ruit — stond de dakdeur open.
⸻
3. Op het Dak
Lou stapte als eerste naar buiten.
De lucht rook naar nat bitumen en roest.
Ze hoorde het gekraak van een oud, slecht onderhouden oppervlak — plekken waar water had gestaan, plekken die eerder al hadden moeten worden vervangen maar waar “de begroting” te klein voor was.
Toen hoorde ze voetstappen achter een ventilatieblok.
Langzaam kwam M tevoorschijn.
Ze zag er anders uit.
Magerder.
Ogen groot, diep ingegraven, glanzend van een koortsige overtuiging.
Het zwarte gewaad wapperde in de wind alsof de nacht zelf eraan trok.
“Lou,” zei M zacht, bijna liefdevol.
“Je bent gekomen.”
Lou voelde Huub achter zich, alert, op spanning.
“M,” zei Lou rustig,
“laten we naar beneden gaan. We kunnen praten.”
M begon te lachen.
Niet hard.
Maar vreemd.
Onregelmatig.
Alsof haar geest stukken oversloeg.
“Praten? Jij en ik?”
Ze zette een stap dichterbij.
“Jij hebt mijn ziel verboden terrein gemaakt.”
Lou hield haar adem stabiel.
“Niemand wil jou kwaad doen.”
M’s ogen vernauwden.
“Nee… maar dat moet wel.”
Ze hief haar hand.
In haar vingers zat iets wat leek op een klein metalen voorwerp — het pakketje uit Raqqa, hoewel Lou de details niet kon zien.
Huub zette een stap naar voren.
Maar M draaide zich razendsnel naar hem toe.
“Jij blijft!” siste ze.
Toen richtte ze zich weer op Lou.
“Het dak, Lou… het dak is de plek waar waarheid neerdaalt.”
En toen —
plotseling —
begon de wind sterker te worden.
Hij rukte aan de zeilen en platen die al jaren niet goed waren vastgezet.
Een metalen rooster klapperde.
Een scheur in het dakleer kraakte alsof het zou openscheuren.
Lou merkte hoe gevaarlijk glad het oppervlak was.
Te glad.
“M,” zei ze,
“kom hier vandaan. Het is niet veilig.”
Maar M leek het niet te horen.
Ze stapte dichterbij.
Nóg dichterbij.
Hun gezichten waren op een paar meter van elkaar.
“Jij hebt alles van mij afgepakt,” fluisterde M.
“En nu — nu neem ik iets terug.”
Ze zette nog één stap.
Het was precies de verkeerde plek.
Een stuk dakbedekking — verweerd, los, doorweekt en nooit gerepareerd —
gleed onder haar schoen weg alsof het ijs was.
M sloeg haar armen uit alsof ze naar balans greep.
Maar de lucht gaf niets terug.
Lou zag het in slow motion gebeuren.
M’s voet gleed.
Haar gewicht verplaatste.
Haar lichaam kantelde achterover, richting de rand van het dak.
“NEE—!” riep Lou, en ze sprong naar voren.
Maar ze was te laat.
M’s handen grepen nog één seconde in het luchtledige naar een stuk uitstekende regenpijp.
Het brak af.
En toen viel ze.
Acht verdiepingen.
Een donkere gedaante door de nacht,
zonder schreeuw,
zonder verzet,
alsof de zwaartekracht haar eindelijk had gevonden.
⸻
4. De Lantaarn
Lou en Huub renden de trappen af.
Elk geluid stierf weg in hun oren.
Alleen de echo van hun voetstappen bleef.
Toen ze buiten kwamen, stond Lou abrupt stil.
Onder de lantaarnpaal — in een cirkel van geel licht —
lag M.
Het bloed verspreidde zich als een donkere schaduw rondom haar hoofd.
Een onaards stille figuur, alsof ze al jaren daar lag.
Huub pakte zijn telefoon om 112 te bellen.
Maar Lou wist het al.
Het was voorbij.
⸻
5. Stilte Na De Storm
De politie kwam.
De forensische dienst.
De ambulance die niets meer hoefde te doen.
Lou gaf haar verklaring.
Huub ook.
“Het was een ongeluk,” zei de agent later.
“Een val van een slecht onderhouden dak.”
Maar Lou wist dat dit maar de helft van de waarheid was.
Sommige oorlogen eindigen niet met een arrestatie.
Niet met een proces.
Maar met zwaartekracht.
⸻
6. De Laatste Blik
Die nacht zat Lou thuis op de bank.
Fay sliep eindelijk.
Rosa lag tegen Lou’s been.
Lou keek naar de donkere vensterbank en dacht aan Spanje, Syrië, Raqqa, het dak…
En ze besefte:
De stilte was teruggekeerd.
Maar anders.
Geen dreiging.
Geen schaduw.
Alleen de stilte van een storm die is uitgeraasd.
En de puinhopen die achterblijven.
DEEL 10 — Nasleep
1. De Ochtend Erna
De wereld ging gewoon door.
Kinderen fietsten naar school.
Buurtbewoners haalden brood bij de bakker.
Treinen reden.
Mensen maakten koffie alsof de nacht niets had meegemaakt.
Maar in Lou’s hoofd was het stil.
Te stil.
Ze zat aan haar keukentafel, handen om een kop thee die ze niet proefde.
Rosa lag tegen haar voeten.
Fay kwam slaperig binnen, haar ogen rood van de emoties van gisteren.
“Mam…,” begon ze zacht.
Lou keek op en glimlachte zwak.
“We zijn veilig,” zei ze.
“Dat is het belangrijkste.”
Maar het voelde niet zo eenvoudig.
⸻
2. De Politie
Later die ochtend zat Lou tegenover twee rechercheurs in een kleine kamer op het bureau.
Witte muren.
Water in plastic bekers.
Een map met haar naam erop.
“Mevrouw Lou,” begon de rechercheur,
“we willen uw volledige verklaring. Alles wat u weet over M, persoonlijk en professioneel.”
Lou slikte.
En begon te vertellen.
Over de WhatsApp-groep.
Over de ruzie met haar collega A.
Over de psychose.
Over de bedreigingen.
Over de opname bij PsyQ.
Over M’s terugkeer.
Over Syrië — voor zover Lou daarvan wist.
Over de foto’s uit Spanje.
En uiteindelijk over het dak.
De rechercheurs schreven onafgebroken.
“U en M stonden niet dicht bij de rand toen ze viel?” vroeg één van hen.
Lou schudde haar hoofd.
“Ze gleed uit. Het dak was glad. Er waren scheuren, waterplekken. Het was al jaren zo.”
“Dat komt overeen met de technische bevindingen,” zei de ander.
Er volgde een korte pauze.
“Het lijkt een ongeluk.”
Lou knikte, maar ze voelde geen opluchting.
⸻
3. Het Schoolbestuur – Waar de Angst Zit
Een dag later werd Lou gebeld door de directie van de Taalplusschool.
“Lou, we willen graag met je praten.”
Ze sprak af in vergaderruimte 2B.
Het rook er naar koude koffie en mislukte vergaderingen.
De twee directieleden zaten al klaar.
Bleek.
Zenuwachtig.
Behoudend.
“We willen eerst zeggen dat we geschrokken zijn,” begon één.
“Verslagen,” zei de ander.
Het klonk ingestudeerd.
“Er gaan… eh… vragen komen,” vervolgde de eerste.
“Waarom M überhaupt weer was toegelaten. Waarom er geen risicobeoordeling heeft plaatsgevonden. Waarom haar dossier—”
Lou legde haar pen neer.
“Dossier?”
Haar stem sneed door de ruimte.
Er viel een stilte.
De directrice slikte.
“Er was… een intern gezondheidsdossier van M. Van voor haar ziekteverlof. Het is… niet gedeeld met het team.”
“Niet gedeeld?” herhaalde Lou.
“Niet gedeeld terwijl ze psychotische berichten stuurde, collega’s bedreigde, cursisten bang maakte…?”
Het bestuur keek weg.
“Het was een privacykwestie,” mompelde de ander.
Lou stond langzaam op.
“Jullie hebben mensen in gevaar gebracht.
Niet alleen A.
Niet alleen mij.
Maar iedereen.”
Geen van beiden zei iets.
Ze keken naar hun eigen handen alsof daar wellicht een antwoord stond.
Lou voelde geen woede.
Geen triomf.
Alleen een leegte die aanvoelde als waarheid.
⸻
4. De Map van M
Een week later kreeg Lou een telefoontje van Huub.
“Lou,” zei hij,
“Ik heb iets. Je moet komen.”
Lou reed naar zijn kantoor.
Een klein, rommelig bureau, vol papieren, oude dossiers, koffiekopjes.
Huub sloeg een dikke map open.
“M’s dossier,” zei hij.
Lou keek naar de stapels rapporten.
Gedragsnotities.
Klachten.
Ziekenhuisverslagen.
Protocollen die nooit waren opgevolgd.
En één document sprong eruit:
“Advies: geen leidinggevende functie. Risico op dissociatie onder langdurige stress.”
Gedateerd: twee jaar vóór haar aanstelling als teamleider.
Lou voelde haar maag draaien.
“Ze wísten het,” fluisterde ze.
Huub knikte langzaam.
“En ze wilden kosten besparen. Ziekteverlof, vervanging… het is allemaal geld.”
Lou sloot haar ogen.
M was ziek.
Maar het bestuur had haar op het dak gezet.
Figúurlijk —
en uiteindelijk bijna letterlijk.
⸻
5. De Schuldvraag
Een week later pakte de krant het op:
“Teamleider valt van dak Taalplusschool – vragen over beleid en veiligheid.”
De buurt fluisterde.
De school zweeg.
Ouders raadden elkaar af om iets te zeggen.
Medewerkers liepen op hun tenen.
Het was alsof niemand wilde erkennen dat de tragedie geen ongeluk was,
maar het gevolg van jarenlange doofheid, wegkijken, mismanagement.
Lou zweeg.
Ze kon niet anders.
Alleen ’s avonds, als ze met Rosa liep, voelde ze de werkelijkheid:
Ze had M nooit gewild als vijand.
Maar M had haar uitgekozen.
Tot het einde.
⸻
6. Fay
Fay begon weer te trainen.
Ze sloeg de trapzak harder dan ooit.
Schouder strak.
Kaak gespannen.
Na afloop kwam ze naar Lou toe.
“Mam,” zei ze,
“ik heb vaak gedroomd dat ze me iets zou aandoen.”
Lou legde een hand op haar wang.
“Ze kan niemand meer iets aandoen.”
Fay knikte, maar in haar ogen zat nog een restje donker.
“Maar jij… je was dapper,” zei ze.
Lou slikte.
“Dapper? Fay… ik was vooral bang.”
“Dat is dapper,” zei Fay.
“Bang zijn en toch gaan.”
⸻
7. Het Laatste Bezoek
Een maand later besloot Lou naar de plek te gaan waar het allemaal eindigde.
Het dak van de school.
De onderhoudsploeg had alles inmiddels afgezet met houten platen.
Er lag zand op de vloer, een mengelmoes van reparatiewerk en vergeten plannen.
Lou stond bij de rand.
De lucht was fris.
Er vloog een duif over — dezelfde plek waar M haar laatste foto had laten maken.
Lou legde een klein steentje op de rand.
Niet voor M.
Maar voor A.
Voor iedereen die door haar was beschadigd.
Voor de waarheid die nooit volledig zal worden verteld.
Ze fluisterde:
“Laat dit nu klaar zijn.”
De wind voerde haar woorden weg.
⸻
8. Epiloog – De Rust
’s Avonds zat Lou op de bank met Rosa op schoot.
Fay zat naast haar, haar hoofd op Lou’s schouder.
Het leven begon heel voorzichtig weer normaal te worden.
Met kleine momenten van kalmte.
Lou keek naar buiten.
De wereld was nog steeds de wereld.
Maar de storm was weg.
Het enige dat bleef, was een stille dankbaarheid dat ze nog hier was.
Met Fay.
Met Rosa.
Met een les die duur was geweest, maar helder:
Sommige gevechten kies je niet.
Sommige gevechten kiezen jou.
En het belangrijkste is dat je overeind blijft.
DEEL 11 — Reflectie & Verwerking
1. De Nieuwe Stilte
Het was een week na de laatste politiegesprekken, toen Lou voor het eerst het gevoel had dat haar huis weer… huis was.
Geen opgejaagd hart.
Geen zenuwen die trilden.
Geen angst om een bericht, een schaduw, een voetstap.
De stilte was anders nu.
Zachter.
Menselijk.
Ze zat in haar woonkamer met een kop verse gemberthee, het raam openstaand naar een rustige avond.
Rosa lag languit in de zonvlek op de vloer.
Fay zat op de bank met haar benen over de rugleuning, oortjes in, muziek zacht.
Lou ademde diep in.
Adem die niet vastzat.
Adem met ruimte.
⸻
2. Een Onverwachte App
Die avond kreeg Lou een appje van een onbekend nummer.
“Mag ik langskomen?
Groetjes, A.”
Lou’s hart maakte een klein sprongetje.
A.
De vrouw die als eerste werd beschadigd.
De vrouw die verdween omdat niemand naar haar luisterde.
Lou typte terug:
“Natuurlijk. Wanneer je wil.”
A stelde voor om af te spreken bij het kleine koffietentje op de hoek, woensdagmiddag.
Lou glimlachte.
Het voelde als een hoofdstuk dat nog niet geschreven was —
en dat nu eindelijk mocht beginnen.
⸻
3. Het Gesprek dat Jaren te Laat Was
Woensdag scheen de zon onverwacht fel.
Lou nam plaats aan een klein tafeltje bij het raam.
Haar handen waren droog, niet klam.
Dat viel haar pas op toen ze zat.
A kwam binnen.
Ze zag er anders uit dan Lou haar herinnerde.
Sterker.
Zachtere ogen, maar een stevigere rug.
Een vrouw die door iets heen was gegaan en nu wist wat ze kon dragen.
“Lou,” zei A,
en ze omhelsden elkaar.
Ze bestelden koffie, lattes met havermelk, en een kleine citroentaart om te delen.
A nam als eerste het woord.
“Ze hebben me nooit geloofd,” zei ze.
“Tot het te laat was.”
Lou knikte langzaam.
“Ik weet het. En ik heb het ze gezegd. Maar ik had meer moeten doen. Voor jou.”
A keek haar aan.
“Lou… jij hebt meer gedaan dan wie dan ook. Jij hebt gezien wat anderen niet wilden zien.”
“Maar ik had je niet mogen laten vertrekken zonder je vast te houden,” zei Lou zacht.
A legde haar hand op die van Lou.
“En toch ben ik er nog,” zei ze.
“Jij ook. We hebben het overleefd. Dat is geen klein iets.”
Lou slikte.
A vervolgde:
“Het was nooit jouw schuld. M was ziek. En de school… was blind.”
Ze spraken bijna twee uur.
Over M.
Over het team Alfa.
Over de cursisten.
Over de dingen die misgingen en de mensen die stil bleven.
Over hun eigen schuldgevoel én over hun kracht.
En ergens tussen de vierde slok koffie en een stilte die licht aanvoelde zei A:
“Lou, ik heb mijn leven terug. Niet ondanks wat er is gebeurd, maar doordat ik ben weggegaan.”
Lou knikte.
“En ik wil het jouwe ook terugzien komen. In de vorm van verhalen, lesgeven, wandelen met Rosa… en dat je weer durft te lachen.”
Lou glimlachte.
“Dat begint te komen.”
⸻
4. Thuis – Licht op de Trap
Die avond kwam Lou thuis.
Fay was aan het koken — pasta met knoflook en tomaten — en Rosa zat ernaast, kwispelend om elk stukje dat op de grond viel.
“Mam,” zei Fay zonder om te draaien,
“je ziet er anders uit.”
“Hoezo anders?”
“Rustiger,” zei Fay.
“En… alsof je weer hier bent.”
Lou liet haar tas vallen, liep naar Fay toe en sloeg haar armen om haar heen.
“Ik ben er,” zei ze.
“Echt.”
Fay glimlachte.
“Heel fijn.”
⸻
5. De School – Een Laatste Blik
Een week later was Lou op school voor een laatste administratieve afronding.
Ze haalde haar spullen uit haar kluis.
Een map, wat boeken, een paar foto’s.
Op weg naar buiten stopte ze.
Voorbij de trap.
Voorbij de docentenkamer.
Bij de gang die richting het dak ging.
Ze bleef even stilstaan en keek omhoog.
Een rustige trap.
Een gesloten deur.
Een plek van gevaar en geschiedenis.
Maar nu — alleen maar een deur.
Ze ademde rustig uit.
Geen angst.
Alleen herinnering.
Ze draaide zich om en liep weg.
⸻
6. Het Leven dat Weer Start
Die middag zat Lou met Fay op het balkon.
Ze aten tapas — nog steeds geïnspireerd door Spanje —
olijven, manchego, brood met tomaat.
Rosa lag op haar zij, slapend in de zon.
“Mam,” zei Fay,
“waarom voelt alles nu zo… anders?”
Lou dacht even na.
“Misschien,” zei ze,
“omdat de mensen die gevaarlijk waren niet meer bij ons zijn.
En de mensen die belangrijk zijn, wel.”
Fay knikte.
“Zoals A?”
“Zoals A,” zei Lou.
“Zoals Huub. Zoals jij. Zoals ikzelf.”
Fay keek haar verbaasd aan.
“Jezelf?”
Lou glimlachte.
“Ja. Ik ben weer terug bij mezelf. En dat was ik een tijd kwijt.”
⸻
7. Afsluiting
Later die avond, toen de zon onderging, stond Lou bij het raam.
Ze keek naar de straat, naar de lichtjes, naar de wereld die gewoon doorging.
Ze dacht aan M — niet met wrok, maar met een vreemd soort mededogen.
Aan de ziekte die haar had verteerd.
Aan het systeem dat haar had laten vallen nog vóór zij zelf viel.
En met die gedachte sprak Lou zacht, bijna in zichzelf:
“Het is klaar nu. Eindelijk.”
Rosa blafte zacht en legde haar kop tegen Lou’s been.
Lou glimlachte.
Het leven was niet perfect.
Maar het was leven.
Haar leven.
En voor het eerst in lange tijd voelde dat als genoeg.
DEEL 12 — De Man Zonder Naam
Zahir had Raqqa verlaten in de nacht, zonder afscheid, zonder geluid. De wind trok aan zijn gewaad terwijl hij door het puin liep, voorbij de zwarte gaten in de stad waar ooit huizen hadden gestaan. Hij keek niet om. Het was niet de stad die hem achtervolgde — het waren de doden.
De route naar het noorden was onherbergzaam, een spel van schaduwen en rotsen. Dagenlang liep hij door bergen, sliep in droge rivierbeddingen, schuilde in verlaten schuren. Hij at nauwelijks. Het enige wat hem in beweging hield, was de brandende, koppige overtuiging dat zijn werk nog niet gedaan was.
En dat M hem niet had verraden, maar hem iets had nagelaten.
Een missie.
Een naam.
Lou.
In Turkije vond hij smokkelaars die geen vragen stelden. Hij betaalde met de laatste gouden ring die M in haar zak had gehad toen ze nog leefde. Via vrachtwagens, oversteken in de nacht en metershoge dijken bereikte hij uiteindelijk de grens van Europa. Van daaruit ging het via een lange route door reizigersstromen, opvangkampen en donkere bussen richting Nederland.
Ter Apel.
Het centrum dat zuchtte onder te veel mensen en te weinig ruimte.
Hij wist precies wat hij moest doen.
Geen papieren.
Geen waarheid.
Geen verleden.
Hij noemde zichzelf “Farid Al-Hamidi”, geboren in Aleppo, vlucht voor bombardementen, geen familie, geen documenten, geen bewijs — alleen een blik waarin trauma lag dat niemand durfde te onderzoeken.
De medewerkers geloofden hem snel genoeg. Moe van te veel dossiers, te veel ellende, te veel wantrouwen dat steeds nergens toe leidde. De opvang was overvol; “Farid” werd doorgeschoven, geregistreerd, ingeschreven, doorgestuurd.
Twee weken later zat hij in een bus richting Den Haag.
Den Haag — stad van ambassades, ministers, diplomatie.
En leslokalen.
Kleine, onschuldige ruimtes waar mensen hun eerste Nederlandse woorden leerden.
Hij had uitgezocht waar M had gewerkt. Hij had haar registraties gezien, haar correspondentie, de notities die ze had gemaakt over “team Alfa”, over de school, over de cursisten. De plek waar ze werd teruggehaald tot de wereld, maar nooit meer begrepen.
Daar wilde hij zijn.
Met zijn valse papieren meldde hij zich bij de receptie:
“Ik wil Nederlands leren… niveau Alfa.”
Zijn stem was moeiteloos zacht.
Voorzichtig.
Breekbaar bijna.
De vrouw achter de balie glimlachte vriendelijk.
“Dat kan. Je wordt ingedeeld bij een van onze docenten.”
Ze keek op haar scherm.
“Je hebt geluk. Er is net iemand beschikbaar vandaag.”
Ze stond op.
“Loop maar met me mee. Dan breng ik je erheen.”
Zahir volgde haar door de gangen, zijn ogen scannend, observerend, berekenend. De school rook naar koffie, oude radiatoren en papieren mappen. Het was bijna huiselijk.
Bijna veilig.
Ze stopten bij een halfopen deur.
Binnen hoorde hij een stem.
Warm.
Stevig.
Bekend, zonder haar ooit gehoord te hebben.
De receptioniste klopte zacht en opende de deur verder.
“Lou? Er is een nieuwe cursist voor je.”
Ze glimlachte naar hem.
“Dit is Farid.”
Lou keek op.
Haar ogen kruisten de zijne.
Zahir voelde niets veranderen aan zijn gezicht — geen trek, geen knipper, geen trilling.
Maar in zijn borst klopte iets traags, gevaarlijks, alsof er een touw strak werd aangehaald.
Lou glimlachte vriendelijk.
“Natuurlijk. Kom binnen. Welkom.”
Zahir stapte de klas binnen.
Heel rustig.
Heel beheerst.
Alsof hij niets anders deed dan taal leren.
Maar dit was geen les.
Dit was het begin.
En buiten, hoog boven Den Haag, waaide een wind die herinnerde aan M.
En wat onaf was gebleven.
DEEL 13 — Anna van Hannoverstraat
Farid Al-Hamidi — zoals hij nu officieel heette — kreeg na maanden van wachten een verblijfsstatus. Zijn nieuwe adres stond in een standaardbrief die hij zonder emotie had geopend:
Anna van Hannoverstraat – Den Haag
SOZA (Sociaal Zaken)
Een groot, grijs gebouw dat ooit een gemeentecomplex was geweest, nu gevuld met nieuwkomers, statushouders, gelukzoekers, gebroken families, en mannen zoals hij: onbekende geschiedenissen met officiële papieren.
De Woonruimte
De kamer die Farid kreeg lag op de derde verdieping, kamer 314.
De deur klemde licht wanneer je hem opende. Binnen trof je:
• twee metalen bedden met dunne matrassen
• twee lockers met roestplekken
• een raam dat uitkeek op het tramspoor
• een kale lamp aan het plafond die zacht zoemde
• een gedeelde tafel met twee stoelen die niet gelijk waren
De muren waren crème, maar grijzer geworden door vocht en ouderdom. Bij het raam hing een gordijn dat ooit beige was geweest.
De lucht rook altijd naar linoleum, oude sokken en de zilte geur van verwarmde radiatorbuizen.
Zijn kamergenoot, Abbas, was een man van een jaar of zestig. Grijze baard, holle wangen, handen die trilden alsof ze elke nacht tegen herinneringen vochten. Abbas werkte overdag in de keuken van een opvanglocatie. Stil, voorzichtig, beleefd. Zijn Nederlands was beter dan verwacht; zijn wantrouwen ook.
Hun Dagelijkse Leven
Elke ochtend om zes uur ging Abbas zachtjes rechtop zitten en fluisterde zijn ochtendgebed. Hij probeerde Farid nooit te wekken, maar Farid was altijd wakker. Hij sliep licht — soldatenslaap.
Daarna dronk Abbas oploskoffie uit een papieren beker. Farid dronk water. Hij at zelden ontbijt; zijn lichaam leefde nog op oude overleefritmes.
Ze verlieten de kamer op verschillende momenten, maar altijd met een kort knikje. Meer hadden ze niet nodig.
Farid volgde zijn taallessen bij Lou drie dagen per week. De andere dagen dwaalde hij door de stad: Schilderswijk, de Haagse Markt, het Malieveld, de trams, de straten, de mensen.
Hij observeerde alles.
’s Avonds, wanneer het gebouw vol rumoer zat — huilende kinderen, schreeuwende mannen, ruzies over telefooplader’s, mensen die elkaar hadden gevonden en net zo snel weer verloren — zaten Abbas en Farid soms samen aan hun wankele tafel.
De Gesprekken
Abbas sprak vaak eerst.
Hij probeerde altijd hoop te voelen.
“Farid,” zei hij op een avond terwijl hij naar de tramlichten buiten staarde,
“wij moeten opnieuw beginnen. Dit land… het is anders. Koud, maar eerlijk. Ze geven ons tenminste iets.”
Farid knikte.
Hij was goed in knikken.
Abbas ging verder:
“Ik wil misschien werken in een winkel. Of in de keuken. Jij? Jij bent jong. Jij kan alles worden, als je maar wilt.”
Farid keek hem aan met die stille, lege blik die Abbas soms onrustig maakte.
“Ik wil Nederlands leren,” zei Farid zacht.
“En daarna… zien.”
Abbas glimlachte.
“Ja, dat is goed. Eerst de taal.”
Farid keek naar zijn locker, waar tussen zijn spullen een plastic mapje lag.
In dat mapje: een notitie met twee woorden, geschreven door M nog vóór ze stierf.
Lou
Afmaken
Abbas zag niet hoe Farid soms lang naar dat mapje staarde.
Confrontaties in het Gebouw
Het SOZA-gebouw was een wereld op zich.
En waar veel mensen dicht op elkaar leefden, ontstonden spanningen.
Soms waren er:
• ruzies in de keuken om eten
• mannen die schreeuwden in de gang
• vrouwen die huilden achter dichte deuren
• jongeren die tot diep in de nacht muziek draaiden
• beveiligers met vermoeide ogen
• politie die af en toe langskwam, altijd te laat
Farid bleef altijd buiten conflictsituaties.
Niet omdat hij bang was.
Maar omdat hij niet gezien wilde worden.
Maar hij zag wel alles.
Hij herkende een andere man — jonger dan hij — die rare blikken naar hem wierp in de gang.
Een Eritrese jongen die naar zijn kamer probeerde te glippen.
Twee broers uit Irak die vroegen waar hij vandaan kwam, en zonder zijn antwoord af te wachten vertrokken alsof ze wisten dat er iets aan hem klopte.
Farid zei niets.
Hij glimlachte beleefd.
En bleef onzichtbaar.
De Nachten
Abbas snurkte zacht.
Het was een soort geruststelling in het anders ijzige donker.
Maar Farid sliep nooit echt.
Hij lag op zijn rug, armen langs zijn lichaam, ogen half open.
Hij luisterde naar de geluiden buiten:
• het ratelen van de trams
• het gepraat in tientallen talen
• het gedempte geschreeuw van iemand die een nachtmerrie had
• het bonzen van voetstappen door gangen
En midden in die kakofonie hoorde hij soms de stem van M in zijn hoofd.
Alsof ze naast hem lag, fluisterend:
“Je weet wat je moet doen.”
“Ze heeft mij laten vallen.”
“Het werk is niet af.”
Farid draaide zich niet om.
Hij maakte zijn adem kleiner.
Hij voelde zijn hart traag pompen.
⸻
Eén ding was zeker:
Hij had nu alles wat hij nodig had:
• papieren
• een adres
• een nieuwe naam
• toegang tot de stad
• toegang tot de school
• toegang tot Lou
En niemand wist dat Farid Al-Hamidi niet bestond.
Maar Zahir wel.
DEEL 14 — De Veter
Farid had zijn avondroutine ontwikkeld:
om 20:15 de trap af, ingang Zuid uit, langs de lange gevel van het SOZA-gebouw, schaduw vermijden, beweging kopiëren van de anderen — de joggers, de wandelende mannen, de vrouwen met boodschappentassen.
Onzichtbaarheid door normaliteit.
Maar vanavond, precies op de derde trede van de trap, bevroor hij.
Een stem achter hem, zacht, maar met die herkenbare, zanderige klank van het oosten van Syrië:
“Zahir?”
Het woord sneed door zijn rug heen alsof iemand een mes tussen twee wervels duwde.
Hij draaide zich langzaam om.
De man die voor hem stond was breed, met een donkere baard en ogen die te veel gezien hadden. Zijn linkerschouder stond iets hoger, alsof hij daar ooit een geweer te lang had gedragen.
Hij rook naar tabak en goedkope wasverzachter.
Farid glimlachte beheerst.
“Je vergist je,” zei hij in neutraal Arabisch.
“Ik heet Farid.”
De man knipperde langzaam.
Zijn blik gleed als een scalpel over Farids gezicht.
“Farid,” herhaalde hij.
Alsof hij een grap proefde.
“Je lijkt op iemand. Iemand die niet met zijn echte naam kon reizen.”
Farid haalde zijn schouders op.
“Er lijken wel meer mensen op elkaar.”
De man antwoordde niet, maar zijn mond trok even omhoog bij één mondhoek.
Een kenmerk van de strijders uit Raqqa — die scheve glimlach die nooit vrolijk was.
Farid voelde zijn hartslag niet versnellen.
Dat deed hij nooit.
Maar hij wist:
Deze man wist iets. Misschien te veel.
⸻
De Weg naar het Haagse Bos
De man liep weg, het pad af richting de Schenkkade, alsof het gesprek voorbij was.
Maar hij keek één keer om.
Een teken.
Een uitnodiging.
Farid volgde op afstand, zijn adem klein, zijn passen stil.
Ze staken de Bezuidenhoutseweg over.
De avondlucht rook naar vochtige bladeren en verkeer.
Het Haagse Bos lag als een donkere long tussen de gebouwen, groot genoeg om anonimiteit te bieden, klein genoeg om het lichaam — moest het zover komen — snel te kunnen verbergen.
De man liep door zonder haast.
Farid bleef drie meter achter hem.
Onder de hoge bomen was het licht diffuus, oranje, gebroken door takken.
Het bos was stil, op een paar fietsers na die snel voorbij zoefden.
Halverwege het pad, naast een bankje dat op de vijver uitkeek, stopte de man.
Hij draaide zich om.
“Zahir…”
Nu was het geen vraag meer.
“…ik heb jou gezien. In Raqqa. Jij was met die vrouw. De Nederlandse. Die van de psychoses. Die overal schreeuwde. Je was haar schaduw.”
Farids gezicht bewoog niet.
“Mijn naam is Farid,” zei hij nogmaals.
De man lachte zacht.
“Farid, Zahir… maakt niet uit. Maar als de anderen weten dat jij hier bent—”
Hij maakte zijn zin niet af.
Hij hoefde ook niet.
⸻
De Veter
Farid liet zijn blik zakken naar zijn eigen schoenen.
Zijn stem was bijna verontschuldigend:
“Wacht even… mijn veter is los.”
Hij bukte langzaam, gedempt door het mos en de aarde.
Zijn vingers gingen niet naar de veter die los hing, maar naar de tweede schoenveter die hij er eerder die dag had ingestopt — extra sterk, dun, nauwelijks zichtbaar.
Hij fluisterde zoveel zachter dat alleen de bomen het hoorden:
“Moment… ik kom eraan.”
De man keek om zich heen, ongeduldig.
Hij liep drie stappen verder, richting een donkere plek aan de rand van het water.
En toen gebeurde alles in stilte.
Farid bewoog niet als een mens, maar als iets dat trainde in duisternis:
laag, snel, nauwkeurig.
De veter ging om de keel van de man als een vallende schaduw.
De eerste ruk was hard en kort.
De tweede langer.
De derde puur technisch.
De strijd duurde maar seconden.
Toen het lichaam slap werd, zakte Farid door zijn knieën en ademde langzaam uit.
Geen trilling.
Geen adrenaline.
Alleen kalmte.
⸻
Waar laat je een lichaam?
Het Haagse Bos had vele plekken.
Maar Farid kende er maar één die perfect was:
een smalle zone langs de vijver waar het riet hoog stond en waar de bodem drassig werd na regen.
Hij sleepte het lichaam erheen, laag bij de grond, alsof hij een gewonde droeg.
Hij rolde hem in het donkere water tussen het riet.
Het lichaam zakte niet meteen, maar hij duwde het onder het oppervlak met een lange, mechanische beweging.
Het water sloot zich alsof het nooit geopend was.
Binnen een paar uur zou het lijken alsof de vijver altijd stil was geweest.
⸻
Terug naar het SOZA
Farid liep terug via dezelfde route, handen in zijn zakken.
De kou beet zacht in zijn vingers.
Op de trap bij ingang Zuid wreef hij in zijn handpalmen — niet om warm te worden, maar om de lichte rode striemen minder opvallend te maken.
Binnen was het gebouw luidruchtig.
Het rook naar rijst, knoflook en goedkope deodorant.
Kamer 314 was donker toen hij binnenkwam.
Abbas lag op zijn zij, rug naar de deur, en snurkte zacht.
De vertrouwde, geruststellende toon van een man die nog steeds hoop had.
Farid zette zijn schoenen stilletjes neer.
Zijn handen waren weer normaal van kleur.
Hij ging op bed liggen.
In de gang lachte iemand hard.
Een kind huilde.
Een deur sloeg dicht.
En Farid sloot zijn ogen.
Alsof er niets gebeurd was.
DEEL 15 — Holten den Wagen
Huub Draadman zat onderuitgezakt achter zijn oude bureau aan de Jan Hendrikstraat.
Een zwaar, krakend buizenframe met een zwart marmoleum blad dat ooit glansde maar nu dof was van koffiekringen, dossiers en de tijd. Het rook er naar oud papier en gemorste shag.
Het was 07:42 toen de telefoon ging.
Een schel, ouderwets rinkeltje dat de stilte van de afdeling doorboorde.
Huub nam op met zijn standaard brom.
“Draadman.”
“Huub,” klonk de stem van Van Dijk, zo formeel alsof hij zelf door een marmeren gang liep,
“er is een lijk gevonden. Haagse Bos. In de rietkraag, tegenover het gebouw van Reclassering Nederland. Forensisch team is onderweg. Ik wil dat jij dit trekt.”
Huub knipperde langzaam, zette de koffie neer.
“Wurgingssporen?”
“We weten het niet. Het lichaam is aangetroffen door een man die zijn hond uitliet. Meldpunt zegt: buitenlandse man, mogelijk Noord-Afrika of Midden-Oosten.”
Huub zuchtte diep.
“Oké. Ik ben onderweg.”
Hij hing op.
Aan de overkant van de kamer zat Harry, leunend op zijn stoel die gevaarlijk op twee poten balanceerde. Hij had het gesprek half gevolgd.
“Huub?”
“Ja?”
Harry grijnsde breed.
“Holt den Wagen zeker weer?”
Huub keek hem droog aan.
“Jij hebt teveel Duitse misdaadseries gekeken, Harry.”
⸻
De Auto en de Rit
Huub liep naar achteren, door de schuifdeuren van het bureau, naar de parkeerplaats. Zijn auto stond zoals altijd half scheef, alsof hij net te laat was gestopt:
een donkergroene Volvo 940, stationwagon, bouwjaar ’95. Vierkante koplampen. Binnen rook het naar leer, natte jassen en pepermunt. De radio werkte alleen als je er tegen tikte.
De motor bromde zwaar toen hij startte.
Hij reed via de Prinsegracht, langs de torenflats bij de Teniersplantsoen, en stak door richting het Bezuidenhout. De ochtendmist hing laag, tussen de bomen van het Haagse Bos als dunne rookpluimen.
Trams gierden voorbij. Fietsers schoten als schimmen door het licht.
Huub zette de Volvo half op de stoep bij het bospad waar lint gespannen was.
⸻
Plaats Delict
Het forensisch team was al ter plekke:
witte pakken, blauw overschoeisel, lampen, camera’s, een metalen koffer opengeklapt op een veldtafeltje.
Een drone lag klaar om te stijgen.
De eerste agent tilde het lint op voor Huub.
“Draadman,” zei hij, “we hebben hem hier.”
Aan de rand van het water lag het lichaam half onder riet, half zichtbaar.
Een Syrische man, rond de dertig, brede schouders, stoppels.
De huid van de hals was rood en paars, een lijn liep diep onder het strottenhoofd — te dun om touw te zijn. Te strak om door eigen hand te komen.
“Wurging,” mompelde Huub. “Dun koord. Veter? Draad?”
“Lijkt daarop,” zei de forensisch arts, zonder op te kijken.
“Ademnood. Gebrek aan weerstandswonden. Professioneel of snel.”
Huub keek naar de sporen in het zand.
Twee paar voetafdrukken.
Eén ervan liep door, terug naar het pad.
Hij knikte langzaam.
“Oké. Eerst Soza. Dan kijken we waar hij vandaan kwam.”
⸻
Soza – Anna van Hannoverstraat
De huismeester heette Koenders; oude school, grijzende snor, sleutels die rinkelde alsof hij altijd aan het werk was. Zijn kantoor rook naar koffie en afgedankte meubels.
Huub legde een geprinte foto van de dode op zijn bureau.
Koenders trok zijn mond langzaam scheef.
“Ja… ik denk dat ik hem wel eens heb gezien. Niet vaak. Hij kwam laat binnen, ging laat weg. Maar veel van die jongens lijken op elkaar. Ze komen en gaan.”
Huub tikte met zijn pen op het bureau.
“Heb je camerabeelden van ingang Zuid?”
“Ja, die loopt altijd. Zal ’s even kijken.”
Koenders opende een logmap, pakte een sleutelbos en liep naar de oude beveiligingskamer — een hok met vergeelde muren, een defecte airco en drie monitoren uit het jaar nul.
Hij zette de beelden terug naar de afgelopen avond.
Samen keken ze naar het scherm.
Beelden van mensen die binnenkwamen, mensen die wegliepen, mannen die praatten.
Maar dan — op 20:17 — twee figuren:
De dode.
En iets achter hem, bijna onzichtbaar in de schaduw.
Koenders kneep zijn ogen half dicht.
“Wacht… die man daar. Die slanke. Hij loopt vaak ’s avonds… zo’n rondje. Ik dacht dat hij van de derde verdieping was.”
Huub rechtte zijn rug.
“Naam?”
Koenders haalde zijn schouders op.
“Ik denk… Farid? Ja, Farid. Strakke blik. Rustige jongen. Nooit gedonder.”
Huub keek naar de monitor, naar de figuur in de schaduw.
Hij bewoog stil, controle, geen haast.
Hij voelde de spanning in zijn achterhoofd tikken.
Dit kon niet zomaar iemand zijn.
“Kunnen we deze beelden printen?” vroeg Huub.
Koenders knikte.
“Zeker. Geef me een minuut.”
De printer in het hok begon te ratelen alsof hij elk moment kon ontploffen.
En langzaam kwamen de beelden eruit — korrelig, grijzig, maar duidelijk genoeg:
De dode.
En achter hem:
Farid.
DEEL 16 — Vlucht in de Koude Nacht
Farid sliep die nacht niet zoals hij normaal sliep — oppervlakkig, als een soldaat.
Hij gleed in een koortsachtige, donkere droom die hij niet kon ontwijken.
M stond op een dak.
Niet in Den Haag, maar in Syrië.
De lucht was helwit van zon en stof.
Ze droeg dezelfde zwarte abaya die ze droeg toen ze in Raqqa was.
Haar haar wapperde wild in de wind.
Ze schreeuwde iets.
Hij kon haar niet verstaan.
Er floot een wind, hoog, snijdend, alsof de lucht zelf gilde.
Farid rende op haar af.
Hij hoorde zichzelf roepen:
“M! M! Wacht!”
Ze draaide zich om — langzaam, alsof het tegen de tijd in ging.
Haar ogen waren zwart, dieper dan hij zich herinnerde.
En toen zakte de grond onder haar weg, als zand dat instort boven een holte.
Ze viel.
Hij schoot wakker.
Zijn borst ging snel op en neer.
Het donker van kamer 314 voelde dichter dan normaal, alsof de muren een centimeter waren opgeschoven.
Naast hem bewoog Abbas.
Een zacht klikken van een keel die werd geschraapt.
“Farid…”
Zijn stem klonk bezorgd maar niet bang.
“…wie is M?”
Farid draaide zijn hoofd langzaam naar hem toe.
Abbas zat rechtop in bed, zijn dekens om hem heen geslagen als een mantel.
“Je hebt de hele nacht haar naam geroepen,” zei hij.
“Je sliep… alsof je vocht.”
Farid wreef met zijn hand over zijn voorhoofd.
Het zweet was koud.
“Een oude vriendin,” zei hij kort.
“Niets belangrijks.”
Maar hij keek Abbas net een fractie te lang aan.
Abbas merkte het, maar zei niets meer.
Hij draaide zich weer om.
De kamer werd opnieuw stil.
⸻
Koenders en Het Slechte Nieuws
Later die middag slenterde Koenders door de gang van de derde verdieping met zijn sleutels en zijn clipboard. Jaarlijkse controle van de brandmelders — een routineklus waar niemand naar keek en die hij meestal halveerde met een koffiestop.
De deur van 314 stond halfopen.
Farid kwam net naar buiten met een plastic tas vol niets dat belangrijk leek.
“Goedemiddag, Farid,” zei Koenders.
Farid knikte beleefd.
Hij wilde doorlopen.
“O, eh—” Koenders tikte met een pen tegen zijn clipboard, alsof hij zich ineens iets herinnerde.
“Voor ik het vergeet… er is een politie-rechercheur die naar je vroeg.”
Farid verstijfde.
“Een… politie?”
Zijn stem zakte een halve toon, nauwelijks hoorbaar.
“Ja, een Draadman. Of Dreesman? In ieder geval iets met een D. Hij wilde met je praten. Geen idee waarom.”
Koenders liep verder, alsof hij zojuist had verteld dat het morgen zou regenen.
Farid bleef staan in de gang.
Zijn keel werd droog.
Zijn hoofd leeg.
En zijn handen koud.
Politie zoekt me. Ze hebben iets. Ze hebben IETS.
Hij voelde de adrenaline in zijn bloed stromen, helder, ijskoud, elektrisch.
Hij draaide zich om, liep de kamer in, greep zijn tas — die eerder niets bevatte maar nu alles moest worden — en propte er snel in:
• een rol geld die hij verborgen had
• de waterdichte jas van het Rode Kruis
• een opgeladen powerbank
• een reserve simkaart
• zijn nep-ID
Abbas keek op van zijn bed.
“Farid… wat doe je?”
Farid keek niet terug.
“Laat het,” fluisterde hij. “Ik moet weg.”
De deur viel dicht.
⸻
De Vlucht — Van SOZA naar het Scheveningse Bos
De winterlucht sloeg hem in het gezicht toen hij via Ingang Zuid naar buiten liep.
Niet vriezend, maar rauw en scherp.
Het betonnen gebouw leek ineens vijandig.
Hij liep snel, maar zonder te rennen — rennen val je mee op.
Hij volgde de weg richting Bezuidenhoutseweg, dan langs de hoge gebouwen van het Rijksvastgoedbedrijf.
Zijn adem ging in gecontroleerde stoten.
Hij sloeg af richting de Koekamp, liep schuin langs het Malieveld en volgde het pad achter het Museon.
Zijn zaklamp bleef uit.
Hij kende de route uit zijn hoofd.
Verder, langs de watergangen.
Dan, tussen de hoge duindoorns door richting het
Scheveningse Bos.
Een plek die groot genoeg was om een mens op te slokken zonder dat iemand het merkte.
⸻
Schuilen in de Nacht
Hij vond een plek tussen lage coniferen, dicht bij de duinrand, waar mensen zelden kwamen.
Hij trok de waterdichte Rode Kruis-jas aan.
Hij ging gehurkt zitten, rug tegen een boom.
Het was koud.
Maar niet koud genoeg om te doden.
Hij hoorde ritsels.
Dieren.
De wind.
En dan ineens menselijke stemmen.
Met trillende, boze toon.
Twee daklozen, niet ver van hem, ruziënd om een fles drank.
“Geef terug, klootzak!”
“Koop je eigen! Jij hebt nooit geld—”
De fles viel.
Scherven.
Gekrijs.
Farid luisterde.
Zijn hand bleef op de tas liggen, alsof hij elk moment moest vluchten.
Hij was nu een prooi én een jager.
Hij moest onzichtbaar blijven.
Langzaam ademde hij uit.
De koude lucht steeg als rook.
En toen kwam de gedachte terug, helder en vlijmscherp:
Huub Draadman.
Politie.
Ik moet Lou vinden voordat zij mij vindt.
DEEL 17 — Twee Weken Stilte
Lou zat aan haar bureau, voor zich de presentielijst.
Ze streek met haar vinger langs de namen zoals ze elke les deed.
Maar nu bleef ze opnieuw hangen bij dezelfde regel:
Farid Al-Hamidi – Afwezig (10x)
Ze fronste.
Geen bericht.
Geen excuus.
Geen afmelding.
De andere cursisten hadden het gemerkt.
Een stille jongen die toch opviel door rust.
Nu was er alleen een lege stoel.
Lou sloeg haar laptop dicht met iets te veel kracht.
Er klopte iets niet.
En haar instinct — dat zacht grommende onderbuikgevoel dat altijd juist bleek — vertelde haar dat dit niet zomaar een cursist was die stopte.
⸻
Huub en Harry bij het SOZA
Huub Draadman had een kop koffie in zijn hand toen Van Dijk hem meldde dat Farid al twee weken niet was gesignaleerd bij de lessen.
Dat triggerde iets.
Verdwenen mensen verschijnen zelden onschuldig na een gewurgde man in het Haagse Bos.
Een uur later stond de Volvo 940 voor het SOZA-gebouw.
Harry stapte kreunend uit.
“Zo,” zei hij, “altijd gezellig hier.”
Huub stak zijn handen in zijn zakken.
“Gewoon vragen stellen. Niet meer.”
Binnen rook het naar linoleum, oude friet en vochtige jassen.
Koenders zat achter zijn balie een puzzelboekje in te vullen.
“Dag heren,” mompelde hij zonder op te kijken.
En toen zag hij Huub.
“Ah, rechercheur Draadman.”
“Op welke kamer woonde Farid ook alweer?” vroeg Huub.
“314,” zei Koenders meteen.
“Bij Abbas. Die man met die trui die altijd kriebelt.”
Huub gaf een knik.
Hij kende inmiddels het pad naar boven uit zijn hoofd.
⸻
Kamer 314
Er werd zacht geklopt.
Er klonk geschuifel.
Dan ging de deur open.
Abbas stond daar in zijn wollen vest, ingevallen gezicht, zachte ogen.
“Goedemiddag,” zei Huub.
“Ik ben rechercheur Draadman. Dit is collega Harry. We moeten u wat vragen over Farid.”
Abbas trok zijn mond een moment omlaag — een teken van zorgen, niet van tegenzin.
“Farid… hij is weg.”
“Hoe bedoelt u: weg?” vroeg Huub.
Abbas liet ze binnen.
De kamer rook nog steeds naar thee, vocht en slaap.
“Hij… hij had een nachtmerrie. Hij riep een naam. De naam M. Over en over. Hij leek… bang. Of boos. Ik weet het niet.”
Huub keek scherp op.
“M?”
Abbas knikte langzaam.
“En toen?” vroeg Harry.
“De volgende dag hoorde hij van Koenders dat een politieagent hem zocht.”
Abbas’ stem zakte.
“Farid pakte zijn tas… en ging. Hij zei niets. Hij keek me niet aan.”
“Was dat twee weken geleden?” vroeg Huub.
“Bijna precies,” zei Abbas.
“Hij had weinig bij zich. Hij… hij was niet zichzelf.”
Huub voelde het bekende tintelen in zijn achterhoofd.
Verdwijning. Mogelijke herkenning. Dode man.
Dit was geen toeval.
“Dank u,” zei Huub. “We melden ons als we meer weten.”
⸻
Farid — Twee Weken in de Schaduw
Farid leefde twee weken alsof hij nooit had bestaan.
Hij sliep in het Scheveningse bos, diep tussen de coniferen waar de grond droog bleef.
Zijn Rode Kruis-jas hield de wind tegen.
Zijn tas was zijn kussen.
Zijn slaap oppervlakkig en onrustig.
Elke dag had hetzelfde ritme:
Ochtend
Hij werd wakker van koude voeten.
Hij dronk water uit een fles die hij dagelijks aan een kraan op het strand vulde.
Hij waste zijn gezicht bij een tankstation aan de Waalsdorperlaan, in de wc-ruimte, boven de metalen wasbak.
Soms bekeek hij zichzelf in de spiegel:
één baardstoppel langer, één dag viezer, maar dezelfde controle in zijn ogen.
Middag
Hij liep over het Scheveningse strand.
Altijd op blote voeten — schijnbare onschuld, maar vooral om geen sporen achter te laten in modder of gras.
Hij zag twee mensen zwemmen in de zee op een koude, bleke dag.
Een man en een vrouw, gillend van de kou maar lachend.
Hij keek lang.
Het geluid maakte iets los dat hij niet kende.
Jaloezie?
Herinnering?
Of gewoon de vreemde geur van vrijheid?
Hij at wat hij kon:
• restjes friet uit een papieren bakje bij de prullenbak
• half brood dat iemand had laten liggen
• een appel die uit een tas was gevallen
Hij was niet te trots om te overleven.
Avond
In een strandtent kreeg hij soms een kop thee — niemand vroeg iets als je maar stil bleef, als je niet stonk en als je je handen boven de kop warmde alsof je er recht op had.
Hij keek naar de horizon.
Het was de enige plek waar hij zich even mens voelde.
Nacht
Het bos sloot zich rond hem als een kooi zonder tralies.
Hij hoorde de dagelijkse ruzies van de daklozen die hun territorium verdedigden met gebroken stemmen en lege flessen.
Hij volgde hun regels:
blijf onzichtbaar, neem niets van hen, blijf in beweging.
Hij had twee weken volgehouden.
Maar hij wist het:
Huub Draadman zou hem vinden.
En als Huub hem vond, moest Farid kiezen.
DEEL 18 — De Foto
Huub zat scheef in zijn stoel, zijn ellebogen op het bureau geplant, terwijl een TL-buis boven hen zachtjes zoemde.
Aan de overkant blies Harry stoom van zijn koffie alsof die hem persoonlijk had beledigd.
“Wat hebben we eigenlijk?” vroeg Huub vermoeid.
Harry telde op zijn vingers mee.
“Een hijgende Van Dijk in onze nek… een wazige foto… een voornaam… en een kerel die verdwenen is.”
“En we weten niet eens of hij wat met die moord te maken heeft,” bromde Huub.
Even was het stil.
Je kon de koude lucht in de kamer bijna horen.
Harry keek op.
“We kunnen de krant inschakelen?”
Huub snoof.
“Wie leest er nou nog een krant? En bovendien, we hebben geen budget. We zitten nog steeds op de bureaustoelen uit 1983.”
Harry knikte, maar de frons op zijn gezicht zei dat hij door bleef denken.
Toen klapte hij ineens zijn hand op het bureau.
“Wacht! Ik kan John bellen!”
Huub keek op.
“John… wie?”
“John van den Berg,” zei Harry trots.
“Oude schoolvriend. Misdaadjournalist. Eigen tv-programma. Groot bereik. Stel je voor: heel Nederland ziet de foto. Er moet toch iemand zijn die hem herkent?”
Huub trok een wenkbrauw op.
“En hoeveel geld gaat dát kosten?”
“Geen,” zei Harry.
“Ik zeg gewoon dat het om een gevaarlijke terrorist gaat. Misschien wel zoals de Hofstadgroep. Kan toch?”
Huub keek hem een moment strak aan.
“Harry… zeg alsjeblieft niet dat het dé Hofstadgroep is.”
Harry grijnsde.
“Nee nee… gewoon… misschien. Eventueel. Bij wijze van spreken.”
En voor Huub nog kon protesteren, had Harry zijn telefoon al gepakt en liep hij de gang op.
⸻
John op lijn
“JOHNIE!” riep Harry luid alsof ze op een voetbalveld stonden.
Aan de andere kant klonk een zware stem.
“Harry? Je leeft nog?”
“Jazeker,” zei Harry trots.
“Ik heb iets groots. Iets héél groots. Kans op een terrorist. Foto. Wurgmoord. Haagse Bos. Wil jij daar een item van maken?”
Er viel een korte stilte.
Toen zei John:
“Ik ben bij je in twintig minuten.”
⸻
Lou — 21:00 uur
Lou zat op de bank.
De kachel zoemde zacht.
Een paar kaarsen deden het woonkamerlicht warm dansen.
Rosa lag naast haar op de plaid, licht snurkend, poten half in de lucht.
Het was een gewone avond.
Ze zapte langs de kanalen.
Niks.
Reclame.
Quiz.
Herhaling.
Kanaal 7.
Daar bleef ze hangen.
Een misdaadprogramma.
Niet direct haar ding, maar goed.
Even koffie halen.
Ze liep naar de keuken, schonk een mok vol, voelde de warmte tegen haar handen.
Terug op de bank zakte ze onderuit net toen het item begon.
Een stem:
“Een mogelijke gevaarlijke verdachte in Den Haag — wie herkent deze man?”
Lou keek omhoog.
Op het scherm verscheen de wazige foto.
Ze zette haar koffie neer.
Voorzichtig.
Heel langzaam.
“Farid…” fluisterde ze.
“Dat is Farid.”
Het was geen twijfel.
De houding, de schaduw van zijn gezicht, de manier waarop hij stond.
Een koude rilling trok langs haar ruggengraat.
⸻
Elders in Den Haag — De Jezidi Familie
In een ander deel van de stad zat een gezin rond de televisie.
Het was een klein appartement, druk ingericht, met kleurige kleden en drie grote pannen stoof op het fornuis.
Ze zapten nooit.
Ze lieten het altijd op hetzelfde kanaal staan, voor het gevoel dat er iemand in de kamer aanwezig was.
De foto verscheen in beeld.
De vader verstijfde.
De moeder pakte haar hoofd met beide handen.
Een kind liet een lepel vallen.
De vader bracht zijn hand naar de televisie alsof hij het gezicht wilde aanraken door het scherm heen.
“Dat… is hij,” fluisterde hij.
Zijn stem brak.
“De man die mijn broer doodde.
Die onze buurman meenam.
Die… die schreeuwde in Raqqa.”
Zijn vrouw begon zacht te huilen.
“Ook hier niet veilig?”
Het jongste kind kroop dichter tegen haar aan.
⸻
De cirkel krimpt.
De waarheid hangt in de lucht.
En Farid weet nog niet dat half Den Haag nu naar hem zoekt.
DEEL 19 — De Lijnen Komen Samen
Het was nog geen half negen toen Van Dijk als een stormram het kantoor binnenkwam.
Zijn gezicht was rood, zijn haren stonden recht overeind alsof hij zichzelf uit bed had getrokken met een stroomschok.
“HUUB!” brulde hij.
Harry liet bijna zijn koffie vallen.
Huub keek langzaam op, alsof hij zijn lot in slow-motion tegemoet trad.
Van Dijk plantte zich breed voor het bureau neer, handen op het hout.
“Wie heeft dit in hemelsnaam goedgekeurd?”
“Wat?” vroeg Huub, te kalm.
Van Dijk hapte naar adem.
“Dat tv-optreden! Die foto! Die hele circusvoorstelling! De commissaris is niet alleen boos — hij is pissed. Ik krijg telefoontjes van journalisten, talkshows, lokale omroepen, mensen die hem zeggen te hebben gezien, mensen die vragen of er een beloning is uitgeloofd…”
Hij hief zijn armen op.
“Zijn jullie helemaal gek geworden?! Denken jullie echt dat jullie hiermee wegkomen?”
Huub wierp een blik naar Harry.
Harry keek weg en mompelde zacht:
“Misschien was het woord ‘terrorist’ toch een beetje te enthousiast…”
Van Dijk draaide zich om.
“Ik ga de commissaris te woord staan. Maar Huub—”
Hij wees met een trillende vinger.
“Denk maar niet dat jullie hiermee wegkomen zonder resultaat. Als die kerel niet binnen een paar dagen is gevonden, hebben jullie een serieus probleem.”
En met stampende passen verliet hij het kantoor, een spoor van woede achterlatend.
⸻
Lou kan het niet langer voor zich houden
Lou had nauwelijks geslapen.
De hele nacht had ze tussen waken en dromen gehangen, de wazige foto van Farid steeds voor haar ogen.
Om kwart over zeven gaf ze op.
Ze pakte haar telefoon, bladerde door haar contacten tot ze Huub Draadman zag staan.
Haar vingers trilden toen ze belde.
Na drie keer overgaan:
“Met Huub.”
“Dag Huub… ik ben het. Lou.”
Huub ging meteen rechter zitten.
“Lou, hoe is het met je?”
“Niet zo goed… ik heb de tv gezien gisteren. Die man… die jullie zoeken. Dat is Farid.”
Huub legde zijn pen neer.
“Ben je zeker?”
“Ja. Hij wilde heel graag Nederlands leren. Hij zat in mijn klas bij Alfa. Hij heeft een paar lessen gevolgd, maar is ineens… zomaar… wegblijven komen. Geen afmelding. Niks.”
Ze slikte.
“Ik had toen al een slecht gevoel. Nu weet ik dat het niet voor niets was.”
Huub nam even pauze, alsof hij haar woorden liet bezinken.
“Lou… dank je. Echt. Dit helpt.”
Maar Lou voelde geen opluchting.
Alleen een koude angst die zich onder haar ribben had genesteld.
⸻
De Jezidi familie — een woedende wanhoop
Tegelijkertijd, aan de andere kant van de stad, stond de Jezidi vader in het politiebureau aan de balie, trillend van emotie.
Hij sprak snel, overstuur, ratelend in het Arabisch.
De baliemedewerker begreep niets.
“Tol… tolk?” vroeg de vader.
Zijn handen wiebelden nerveus in de lucht.
“Er is nu geen tolk beschikbaar,” zei de agent.
“Wacht even, alsjeblieft.”
Zijn vrouw en twee kinderen stonden achter hem, bleek en gespannen.
Korte tijd later kwam Els, Huubs collega, langs de koffiemachine toen een agent haar wenkte.
“Er is hier een familie die zegt iemand te herkennen van de tv. Ze zijn overstuur. Kun je Huub waarschuwen? Het gaat volgens mij om dat Syrië-geval.”
Els knikte.
Ze liep naar de recherchekamer en stak haar hoofd naar binnen.
“Huub? Je moet even naar beneden. Een familie claimt de man te herkennen.”
Huub stond meteen op.
Dit kon de doorbraak zijn.
⸻
Farid — De Jacht Begint
En ondertussen, ergens in het Scheveningse Bos, zat Farid in elkaar gedoken tussen de bomen.
Hij had de avond ervoor een krant uit een prullenbak gehaald.
Op de voorpagina: “GEZOCHT — MOGELIJKE GEVAARLIJKE VERDACHTE”.
En daaronder de wazige foto van hemzelf.
Farid scheurde het papier kapot met trillende handen.
Hij hoorde stemmen in de verte — gewone wandelaars misschien — maar voor hem klonken ze als jagers.
Hij wist dat hij nu geen moment rust meer zou hebben.
Langzaam stond hij op, trok zijn Red Cross-jas dichter om zich heen en keek tussen de bomen door naar de richting van de stad.
Zijn hart bonsde.
Ze zoeken me.
De wind fluisterde door de takken, koud en scherp als waarschuwing.
En ze zullen me vinden als ik niet eerst iets doe.
DEEL 20 — De Stad Sluit Zich Rondom Hem
1. Huub en de Jezidi Familie
Huub liep snel de trap af naar de balie.
Nog voor hij hen zag, hoorde hij de stemmen: gespannen, hoog, vol angst.
De Jezidi vader stond rechtop, de handen trillend op de balie.
Naast hem zijn vrouw, die haar sjaal strak om haar schouders geklemd hield.
Hun kinderen — een jongen van veertien, een meisje van tien — keken met grote, bange ogen rond.
Toen ze Huub zagen, wees de vader direct naar hem en sprak weer in het Arabisch, snel, hard, alsof hij iets in brand probeerde te blussen.
Huub hief zijn handen.
“Rustig. Rustig. Ik ben hier om te helpen.”
De baliemedewerker schoof een formulier naar hem.
“Geen tolk beschikbaar tot vanmiddag.”
Huub draaide zich naar Els die achter hem stond.
“Weet jij iemand met een beetje Arabisch?”
Els dacht na.
“Niet goed genoeg. Maar misschien kunnen we via een app vertalen. Het is behelpen, maar het is iets.”
Huub knikte.
Hij pakte zijn telefoon, opende een vertaalapp, en gaf een kort knikje aan de vader.
“Praat,” zei hij.
“Ik luister.”
De vader begon te spreken.
Woorden vloeiden.
Zijn vrouw knikte steeds heftig mee.
De app vertaalde fragmentarisch, onnauwkeurig, maar helder genoeg:
‘Hij. Man. Op tv. Hij… IS. Raqqa… plein… wij hem zien… hij doden mannen… familie.’
Huub voelde hoe een koude, zware steen in zijn maag zonk.
De vader pakte zijn schouder met onverwachte kracht en keek hem recht in de ogen.
De vertaling kwam:
‘Waar hij nu is… ook wij niet veilig.’
Huub slikte.
“Dank jullie. Dit… dit verandert alles.”
Dit was niet meer zomaar een verdachte.
Dit was een oorlogsmisdadiger.
⸻
2. Farid — De Bosrand
Farid zat op een omgevallen boomstam, zijn adem zwaar en wit in de koude lucht.
Hij keek naar de rafels van de krant die hij uren eerder kapot had gescheurd.
Hij had de foto herkend.
Ze hadden hem gevonden.
Of in ieder geval: zijn schim.
Hij moest weg.
Maar waarheen?
Hij snuffelde in de zakken van zijn jas:
– een stuk brood van drie dagen oud
– een half pakje tissues
– een rode kruis pas die niet meer geldig was
– en een briefje van vijf euro dat hij twee dagen eerder naast een bank had gevonden
Zijn maag knorde.
Hij keek naar de rand van het bos, waar het licht van de Scheveningse straten door de bomen schemerde.
Ik kan niet nog een nacht buiten blijven.
Niet zo.
Niet nu ze weten dat ik leef.
Hij hoorde iemand lachen in de verte — twee wandelaars, of misschien een stel.
Direct kroop hij weg achter een struik.
Zijn hart dreunde in zijn oren.
Ik moet verdwijnen.
Of…
Hij dacht aan Syrië.
Aan M.
Aan het plein.
Aan het bloed.
Hij sloot zijn ogen.
“Allah yastur,” fluisterde hij.
Moge God mijn sporen verbergen.
⸻
3. Huub bij Lou
Huub stond voor Lou’s voordeur.
Hij had niet gebeld dat hij kwam — dat voelde verkeerd, te onpersoonlijk.
Toen ze open deed, zag hij dat ze bleek was.
Rosa stond naast haar, oren gespitst.
“Lou,” zei Huub zacht.
“Mogen we praten?”
Ze knikte en liet hem binnen.
In de woonkamer steunde ze tegen de tafel.
“Ik wist niet dat… dat hij gevaarlijk was. Hij was zo stil. Zo… zoekend.”
Huub knikte.
“Ik weet dat je schrok gisteren. Ik ook. We hebben net gehoord dat hij in Syrië betrokken zou zijn geweest bij executies in Raqqa.”
Lou sloeg haar hand voor haar mond.
“Mijn god…”
“Lou… alles wat je weet, al is het klein, is belangrijk. Heeft hij ooit iets gezegd? Iets persoonlijks?”
Ze dacht even na.
“Hij was bang,” zei ze toen.
“Niet voor ons. Voor iets wat hem volgde. Hij keek altijd over zijn schouder als hij het lokaal binnenkwam.”
Huub knikte langzaam.
Dat paste precies.
“Dank je, Lou. Echt.”
Hij stond op.
Lou vroeg:
“Huub… denk je dat hij nog in Den Haag is?”
Huub keek haar aan, ernstig.
“Ja. Ik denk dat hij heel dichtbij is.”
⸻
4. Een Tip Binnen
Wanneer Huub terugkomt op het bureau, komt Harry hem tegemoet rennen.
“Huub! We hebben een tip!”
“Wat voor tip?”
“Een vrouw met een hond. Ze zag hem vannacht bij het Scheveningse Bos. Ze zei dat hij eruitzag alsof hij al dagen niet had gegeten. Hij rende weg toen hij haar hond hoorde blaffen.”
Huub voelde het in zijn botten.
Het net werd kleiner.
Heel klein.
DEEL 21 — Het Net Trekt Strakker
Huub zat de volgende ochtend achter zijn bureau, een koud restje koffie voor zich als een verloren strijd.
Harry kwam binnen met twee bekers van het automaat, duwde er één in Huubs hand.
“Je klonk nog beroerder aan de telefoon dan je eruitziet,” zei Harry.
Huub wreef over zijn gezicht.
“Lou belde gisteren,” zei hij.
Harry nam een slok.
“Lou… help me even. Wie is Lou precies?”
Huub keek hem verbaasd aan.
“Lou is die lerares van Alfa. De collega die door M werd gestalkt. M is toen van het dak gevallen van ROC Mondriaan… weet je nog?”
O ja—Harry’s gezicht klaarde op.
“Die Lou.”
Huub knikte.
“Ja. Die Lou. Zij herkende Farid meteen. Maar… het houdt me bezig, Harry.”
“Hoezo?”
Huub leunde naar voren, zijn stem werd zachter.
“Ze kent Farid. En Farid riep in zijn slaap de naam M, volgens Abbas. M en Farid… dat is geen toeval. Er zit iets tussen die twee. Iets duisters.”
Harry floot zacht.
“Dus M, die doordraaide, die psychose kreeg, die mensen bedreigde… en Farid, die nu gezocht wordt voor een moord én mogelijk oorlogsmisdaden… en ze kennen elkaar?”
Huub knikte.
“Ik denk dat we nog maar een topje zien van een hele nare ijsberg.”
⸻
Farid — Honger en Angst
Farid sloop door een steegje achter een grote supermarkt in Scheveningen.
Zijn maag trok samen alsof er een mes doorheen gleed.
Hij had sinds gisterenmiddag niets gegeten.
Hij zag de achterdeur, waar karren met lege kratten stonden.
Misschien lag er iets tussen.
Oud brood.
Fruit.
Maakt niet uit.
Hij zette één stap… twee…
Toen zag hij de camera’s.
Eén boven de deur.
Eén aan de hoek.
Nog één bij de containers.
Hij verstijfde.
Camera’s betekenden opsporing.
Gezichten.
Beelden.
Herkenning.
Hij trok zijn capuchon dieper over zijn hoofd en week terug, zijn adem wolkend in de koude lucht.
Ze zoeken me.
Overal.
Iedere winkel, elk station, elke straat.
Hij rook de geur van oud brood maar liep achteruit, de steeg weer in, het duister in.
Hij moest eten.
Maar hij moest vooral blijven leven.
⸻
De Nieuwe Moord
Om iets voor elf uur ging Huubs telefoon.
De stem van een surveillant klonk gehaast:
“Huub… je moet komen. Meteen. We hebben er nog één.”
Huub voelde het in zijn maag zakken.
“Waar?”
“Rondje om de kerk bij de Waalsdorperweg. Hardloper vond een lichaam achter de struiken. Man. Midden dertig. Syrische afkomst.”
Huub stond al op.
Harry gooide zijn jas over zijn schouder.
“Zeg me niet dat het weer hetzelfde is.”
Huub keek hem recht aan.
“Ik zeg het pas als we het hebben gezien.”
⸻
Het Plaats Delict
Het rook naar nat gras.
De wind sneed langs de stenen van de oude kerk.
Forensisch onderzoekers stonden over een lichaam gebogen, witte pakken glimmend in het ochtendlicht.
Huub knielde naast het lijk.
De man lag op zijn zij, zijn gezicht paars uitgeslagen, ogen half open.
Blauw-lila striemen om zijn hals.
Een dun stuk koord of veter, strak, dodelijk.
Huub staarde naar het patroon van de striemen.
Hij kende het van het lichaam in het Haagse Bos.
“Hetzelfde?” vroeg Harry naast hem.
Huub knikte langzaam.
“Zelfde soort druk, zelfde hoek. Een dunne band. Geen touw. Te smal daarvoor.”
“Een veter,” zei Harry.
Huub zuchtte.
“Een veter.”
Een rechercheur kwam naar hen toe.
“Buurtbewoners hebben niets gezien. Maar er is een getuige uit de flat achter de kerk die zegt dat gisteravond laat een man bij de bosrand stond. Mager. Red Cross-jas.”
Huub sloot zijn ogen even.
Farid.
Hij stond op.
“Harry, we moeten nu optreden. Voor hij nog iemand grijpt. Voor hij zelf instort. Voor hij… iets nóg ergers doet.”
Harry knikte.
“Wat is stap één?”
Huub keek naar de horizon, waar de ochtendmist langzaam optrok.
“De stad afzetten. En Lou beschermen. Want er is één ding dat me dwars zit…”
Harry keek hem vragend aan.
“M riep Farid’s naam,” zei Huub zacht.
“En Farid riep in zijn slaap de naam M.”
Harry’s gezicht veranderde.
“Dus als Farid een link heeft met M… en Lou was M’s laatste obsessie…”
Huub knikte.
“Dan kan Lou wel eens de volgende zijn.”
DEEL 22 — De Naam van de Beul
1. De Jezidi Familie — De Waarheid Achter de Foto
De zon stond laag toen Huub met een tolk voor de deur van het Jezidi-gezin stond.
De vader deed meteen open, zijn ogen rood van slaapgebrek maar scherp van vastberadenheid.
Ze gingen aan de kleine keukentafel zitten.
De tolk knikte naar Huub.
“Vraag maar.”
Huub legde rustig zijn notitieboek neer.
“Vertel me alles. Alles wat u weet van deze man.”
De vader keek hem recht aan, het soort blik dat uit de woestijn kwam, uit jaren van vrezen, uit een verleden dat in rook en bloed was opgelost.
Hij begon te spreken.
Langzaam eerst, maar steeds heftiger.
Woorden als messen.
De tolk vertaalde terwijl zijn gezicht steeds bleker werd.
“Zijn naam is niet Farid,” zei de vader.
“Zijn naam is Zahir. Zahir Messoud.”
Huub voelde het branden in zijn maag.
De vader vervolgde:
“In Raqqa noemden ze hem ‘de beul’. Hij werkte voor IS. Hij stond op het plein… bij de executies. Mijn broer… mijn neef… mijn buurman… hij heeft hun namen geroepen voordat ze werden gedood.”
De moeder knikte heftig, tranen over haar wangen.
“Hij is gevaarlijk, meneer. Hij kent geen genade. Hij speelde met zijn slachtoffers. Hij lachte.”
Huub keek naar de tolk, die even moest slikken.
“Zahir Messoud,” herhaalde Huub zacht.
De vader legde een hand op Huubs arm.
“Hij hoort niet vrij te lopen. Niet in dit land. Niet in deze stad. Hij zoekt iemand… altijd zoekt hij iemand.”
Huub wist wie.
Lou.
Een koude schaduw trok langs zijn ruggengraat.
⸻
2. Farid — Of beter: Zahir
Zahir liep langs de achterkant van de grote supermarkt in Leyenburg.
Zijn ogen schoten heen en weer.
Camera’s.
Overal camera’s.
Hij voelde zich als een dier waardoor de jachtfluit net was geblazen.
Hij zag een auto — een kleine blauwe Toyota — slordig geparkeerd, deuren niet afgesloten, sleutel nog in het contact.
Een domme fout, maar zijn redding.
Zahir keek om zich heen.
Niemand.
Hij glipte naar binnen, startte de motor, en reed weg zonder licht.
Zijn handen trilden, maar zijn gedachten waren scherp:
Ik moet naar haar.
Naar Lou.
Zij weet iets.
Zij is de laatste draad van M.
⸻
3. Huub — De Race
Huub rende praktisch door de gang van het bureau toen hij bij Harry binnenviel.
“We moeten nu naar Lou,” zei Huub.
Harry stond meteen op.
“Wat is er?”
“Het is geen Farid,” zei Huub.
“Het is Zahir Messoud. Oorlogsmisdadiger. Internationaal gezocht. De beul van Raqqa.”
Harry vloekte zacht.
“En hij roept in zijn slaap de naam M…”
Huub knikte.
“En Lou kende M. Ze stond erbij toen M instortte. Zahir en M hadden een band. Een duistere band. Hij zoekt haar, Harry.”
Ze renden naar buiten.
In de auto voelde Huub zijn hartslag bonzen.
“Als hij haar iets aandoet…” begon Harry.
“Dan was dit allemaal voor niets,” zei Huub.
⸻
4. Abbas — De Bekentenis
Voordat Huub en Harry vertrokken, hadden ze een kort gesprek met Abbas, die hen nerveus naar binnen liet op zijn kamer.
Abbas keek naar de grond.
Zijn handen beefden.
“U moet iets weten,” zei hij langzaam.
“Ik heb het niet verteld omdat… ik bang was.”
Huub ging zitten.
“Wat heb je niet verteld?”
Abbas slikte.
“Farid… nee. Zahir. Hij… betaalde mij. Kleine bedragen. Om te zwijgen. Om zijn spullen niet aan te raken. Hij had een tas. Donkerblauw. Hij verstopte die in het plafond, bij de tegels.”
“Wat zat erin?” vroeg Huub.
“Ik weet het niet,” zei Abbas.
“Maar ik hoorde… geluiden ’s nachts. Alsof hij sprak met iemand. Fluisterde. De naam M, steeds opnieuw. Soms… huilde hij.”
Huub stond op.
“Waar is de tas nu?”
Abbas wees naar de plafondplaat boven zijn bed.
Huub klom op de stoel.
Hij opende de plaat.
Een tas, zwaar.
Hij haalde hem eruit.
Binnenin:
– Een mes met een zwarte handgreep
– Een oud, Syrisch paspoort op naam van Zahir Messoud
– Een lijst met adressen
– Foto’s
– En een handgeschreven brief in het Arabisch
De tolk vertaalde later:
“Ik kom terug. Voor jou. Voor waar we waren gebleven.”
Ondertekend met: M.
Huub voelde het naar zijn keel stijgen.
M en Zahir.
Dit was geen toeval.
Dit was een pact.
⸻
5. Zahir — Op jacht
In de gestolen auto reed Zahir richting het centrum van Den Haag.
Zijn ogen waren zwart, gefixeerd.
Hij kende het adres.
Hij had het uit M’s tas.
Lou’s huis.
De cirkel sloot zich.
DEEL 23 — De Val in de Regen
1. Zahir Verdwaalt in de Stad
De regen viel in dunne, scherpe lijnen over Den Haag, als doorzichtig staal.
De ruitenwissers van de gestolen Toyota piepten bij elke haal.
Zahir kneep in het stuur, zijn knokkels wit.
Hij kende deze stad niet.
De straten leken op elkaar, glanzend nat, spiegelend, vervormd door regen en licht.
Hij miste twee afritten.
Een trambaan blokkeerde zijn weg.
Een wegafsluiting dwong hem te keren.
Elke minuut zakte zijn woede dieper in zijn borst.
“Waar ben je…” mompelde hij.
Lou.
Ze moest niet te ver zijn.
Hij rook haar bijna in zijn gedachten.
⸻
2. Huub & Harry bij Lou
Huub stond voor Lou’s deur, zijn hand strak om zijn legitimatie.
De regen droop van zijn jas toen Lou opendeed.
Rosa blafte zacht, nerveus.
“Lou,” zei Huub, “je moet onderduiken. Meteen.”
Lou verstijfde.
“Is het zo erg?”
Huub knikte.
“Zahir — Farid — is gevaarlijker dan we dachten. En hij kent jouw naam via M. Je moet weg. Heb je familie waar je terecht kunt?”
Lou ademde diep in.
“Mijn zus… in Spanje. Ze zei dat ik altijd kan komen.”
“Goed,” zei Huub.
“Maar vanavond ga je eerst naar een hotel nabij Amsterdam. Voor je eigen veiligheid. Pak alleen het hoognodige.”
Lou knikte en liep naar binnen.
Rosa volgde haar, staart laag.
Huub hielp met de koffer, zag in een ooghoek een foto van Lou en haar dochter, een warmer verleden.
Hij voelde een vreemde, beschermende woede.
Dit moest goed aflopen.
⸻
3. De Auto
Huub zette de koffer in de achterbak en draaide zich om naar Lou die de deur achter zich sloot, met Rosa aan de lijn.
Harry zat al in de auto, op zijn telefoon coördinaten door te geven aan de meldkamer.
Lou stapte in de achterbank.
Huub keek nog even om zich heen — en toen zag hij net niet, wat in de schaduw gebeurde.
⸻
4. Zahir — De Herkenning
Zahir draaide langzaam de hoek om.
In de regen.
In de schemer.
In het natte licht van een lantaarnpaal.
En toen zag hij haar.
Lou.
Met haar hond.
Met twee mannen.
Zij stapte in een auto.
Zijn lichaam verstijfde, zijn adem stokte.
Daar ben je.
Hij reed langzaam achter hen aan, op veilige afstand, zijn ogen brandend in het duister.
Ze reden richting de rand van de stad, steeds sneller.
Zahir volgde, zijn hart een razende trom.
Tot hij het niet meer zag — maar wél de zwaailichten verderop.
⸻
5. De Fuik
Op de kruising bij de Utrechtsebaan stonden vier politiewagens schuin geparkeerd.
Zwaailichten sneden door de regen.
Twee agenten stonden met hun wapens gereed.
Een derde riep door een megafoon:
“STOP! MOTOR AFZETTEN! HANDEN WAAR WE ZE ZIEN KUNNEN!”
Zahir trapte op de rem.
Hard.
De Toyota slipte een halve meter door de natte straat, kwam schokkend tot stilstand.
Voor hij iets kon doen, waren de deuren van de wagen naast hem al geopend.
Agenten stormden op hem af.
“UITSTAPPEN!”
“NU!”
“HANDEN OMHOOG!”
Zahir ademde zwaar.
Zijn ogen bewogen razendsnel.
Maar hij wist:
Geen uitweg.
Een agent rukte de deur open.
Twee handen grepen hem vast.
Nog voor hij zijn voet op de straat zette, lag hij al tegen de zijkant van de auto gedrukt.
Koude regen op zijn nek.
Een knie in zijn rug.
Klik.
De handboeien sloegen dicht om zijn polsen.
“We hebben hem,” hoorde hij iemand zeggen.
“Internationaal gesignaleerd. Zahir Messoud.”
Zijn hoofd werd omhoog getrokken.
Zahir zei niets.
Zijn ogen waren leeg — maar vol haat.
Hij werd in een politiebus geduwd.
De regen spoelde zijn laatste vrijheid weg.
⸻
6. Lou — De Luxe Die Ze Niet Verwacht Had
Lou stapte de lobby binnen van het hotel bij Amsterdam.
Het rook naar hout, naar warme verlichting, zachte parfums en discrete stilte.
Een gouden lift gleed open zonder geluid.
Een medewerker met een nette glimlach nam haar koffer over.
Rosa liep rustig naast haar, alsof ze eindelijk voelde dat de spanning zakte.
De hotelkamer…
Lou keek rond en voelde iets zachts in haar borst breken.
De kamer was groot, met hoge ramen, dikke gordijnen in diepe tinten blauw.
Een kingsize bed met sneeuwwit linnen.
Een marmeren badkamer met regendouche waarin licht als kristal glinsterde.
Een zithoek met twee fluwelen stoelen en een glazen tafel waarop een schaal met fruit stond, vers glanzend.
Rosa sprong meteen op het zachte kleed en rolde op haar rug, alsof ze dit al jaren kende.
Lou liep naar het raam.
De stad beneden lag ver, stil, veilig.
Voor het eerst in dagen ademde ze diep in.
Ze was veilig.
Voor nu.
Maar het verhaal was nog niet voorbij.
Niet voor haar.
Niet voor Huub.
Niet voor de geesten die terug waren gekomen uit Syrië.
DEEL 24 – De Tweede Moord
De regen gutste nog steeds tegen de ruiten van het hoofdbureau aan de Jan Hendrikstraat toen Huub Draadman het verhoorkamertje binnenstapte. Aan de andere kant van de tafel zat Zahir—nog steeds officieel “Farid” genoemd totdat de formaliteiten waren afgerond—zijn handen vastgeklemd in de metalen boeien. Zijn haar plakte in strengen langs zijn slapen, zijn shirt woog door van het regenwater en zijn blik was leeg, uitgehold. Niet bang. Niet boos. Gewoon… leeg.
Huub schoof een map op tafel.
“Zahir Messoud,” begon hij rustig.
De Syriër knipperde niet eens.
“Je bent verdomme internationaal gesignaleerd,” ging Huub verder, “en dan denk je dat je hier stilletjes Nederlandse les kan volgen?”
Zahir zei niets. Zijn ogen bleven gericht op een vlek op de tafel, alsof hij daar een uitgang zag.
Huub opende de map.
“We hebben een lichaam gevonden. Een man uit jouw AZC. Abdul Karim. Wist je dat?”
Eén oogtrekking. Een minieme beweging, bijna onzichtbaar. Maar Huub zag ’m.
Daar zat het. Schuld. Spanning. Herinnering. Iets.
⸻
De tweede moord: Abdul Karim
Abdul was een man uit Deir ez-Zor, een tengere knokige vent die altijd op sandalen liep, zelfs in de winter. Hij had in Soza een bed enkele deuren verwijderd van de kamer die Zahir en Abbas deelden. Altijd vriendelijk, altijd met een mok thee in zijn hand.
Maar Abdul had iets gezien.
Twee weken voor zijn dood stond hij op het rookbalkonnetje boven de fietsenstalling. Hij had net een sigaret gedraaid toen hij Zahir zag terugkomen, bezweet, opgejaagd—de avond van de eerste moord, die in het Haagse Bos. Abdul had hem aangesproken, half grappend:
“Farid, jij ziet eruit alsof je een marathon hebt gelopen, of alsof je iemand achterna hebt gezeten!”
Zahir had niets gezegd. Gewoon doorgelopen.
Maar Abdul was te nieuwsgierig geweest.
Hij had Zahir later die week voorzichtig benaderd in het trappenhuis:
“Ik weet niet wat jij hebt gedaan die avond… maar misschien moet je praten. Misschien kan ik helpen.”
Die woorden waren genoeg geweest.
Zahir had hem gevolgd.
Buiten, langs de laadkade.
Abdul had geen kans gehad.
Een snelle greep.
Een duw.
Een klap met een loszittende stoeptegel.
Het water in.
Zijn lichaam later gevonden tussen het kroos bij Madestein.
Geen wurgspoor dit keer. Maar dezelfde kilte.
⸻
Terug naar het verhoor
“Heeft hij je herkend?” vroeg Huub nu. “Abdul. De man die wij hebben gevonden.”
Zahir keek eindelijk op.
“Hij praatte te veel,” zei hij, zacht, bijna fluisterend.
Zijn stem was schor.
“Hij kende mijn gezicht.”
“Van Raqqa?” vroeg Huub.
Zahir knikte één keer.
⸻
Lou in het hotel
Aan de andere kant van het land stapte Lou uit de lift op de zesde verdieping van het hotel bij Amsterdam.
Ze voelde zich licht in het hoofd van alles wat er was gebeurd. Rosa liep vlak achter haar, haar halsband zacht klingelend bij elke stap.
De deur zoefde open met een elektronische klik.
De kamer overviel haar: warm, luxe, bijna onwerkelijk.
Een kingsize bed met sneeuwwit linnen, kussens als wolken. Een zithoek met zachte zandkleurige fauteuils. Een badkamer met melkglazen deuren, waarachter een grote regendouche wachtte. Het uitzicht was adembenemend: de lichtjes van de stad als een sterrenveld onder haar.
Rosa sprong meteen op het kleed, draaide twee rondjes en plofte neer.
Lou glimlachte even — de eerste echte glimlach in dagen.
Maar toen kwam de stilte.
En de stilte voelde als leegte.
Ze liep naar het bed, ging zitten en pakte haar telefoon.
Haar handen trilden een beetje.
Ze scrolde door haar contactpersonen, aarzelde kort, en drukte toen op Fay.
“Mam?” klonk het na één keer overgaan, warm en vertrouwd.
Lou slikte.
“Liefje… ik zit in een hotel. Voor mijn veiligheid,” zei ze zacht. “Maar ik zit hier alleen. En het voelt… raar. Ik wil niet alleen zijn.”
“Wil je dat ik kom?” vroeg Fay meteen, zonder twijfel.
Lou voelde haar ogen prikken.
“Ja. Heel graag. Als je kunt… pak een tas en kom hierheen. Rosa en ik wachten op je.”
“Ik ben er zo. Stuur me de locatie.”
Een rust zakte over Lou heen, warm en beschermend.
Niet veel later stond ze voor het raam, kijkend naar de lichtjes van de stad, terwijl Rosa tegen haar been leunde.
Ze was niet langer alleen.
En dat maakte alles anders.
⸻
Huub en het dossier van M
Later die avond zat Huub op zijn kantoor en bladerde hij door een stoffige oude map: Dossier M.
Foto’s. Appjes. Verklaringen.
De psychose.
De stemmingswisselingen.
De vreemde dreigementen naar Lou.
En ineens viel hem iets op.
Een notitie van een maatschappelijk werker, bijna vergeten:
“Cliënte zegt dat haar partner in Syrië ‘Zahir’ heet. Ze zegt dat hij een man is met een roeping, dat hij vecht voor een hogere zaak…”
Huub voelde hoe de puzzelstukken begonnen te klikken.
Lou.
M.
Zahir.
Een driehoek die veel eerder was begonnen dan hij had gedacht.
⸻
En ondertussen…
In het detentiecentrum zat Zahir roerloos op zijn brits.
Zijn handen trilden een beetje.
De bewaker die hem checkte, wist niet dat Zahir niet bang was voor gevangenschap.
Hij was bang voor iets anders.
Hij was bang dat M nog leefde.
En dat ze hem zou vinden.
DEEL 25 — Wat Niet Wil Zwijgen
1. Fay
Fay arriveerde laat in de avond.
Lou hoorde eerst de lift, toen het zachte tikken van hakken in de gang. Nog voor er werd aangeklopt, stond ze al bij de deur.
Ze vielen elkaar niet huilend in de armen.
Het was stiller dan dat.
Vaster.
Fay zette haar tas neer, knielde bij Rosa, begroette haar alsof ze elkaar al jaren kenden.
“Zo,” zei ze. “Wij blijven hier.”
Lou knikte.
Voor het eerst sinds lange tijd voelde ze iets dat op grond leek onder haar voeten.
⸻
2. Het Arrestatiebevel
Op het bureau zat Huub tegenover Van Dijk en de commissaris.
De sfeer was kil, formeel.
“Interpol heeft bevestigd,” zei Van Dijk.
“Zahir Messoud. Alias Farid Al-Hamidi. Betrokken bij executies in Raqqa. Gezocht door meerdere landen.”
De commissaris schoof een document naar Huub.
“Dit is geen Nederlandse zaak meer alleen. Maar tot uitlevering blijft hij hier. En jij, Huub… jij blijft erop.”
Huub knikte.
Dit was geen promotie.
Dit was een last.
⸻
3. Het Verhoor — Barstjes
Zahir zat weer tegenover Huub.
Dit keer zonder bravoure.
Zonder leegte.
Huub legde één foto op tafel.
Een oude, korrelige foto.
M.
Op een dak.
Haar gezicht half afgewend.
Zahir’s adem stokte.
“Ze leeft,” zei Huub.
“Of jij denkt dat ze leeft.”
Zahir sloot zijn ogen.
Lang.
Toen zei hij, bijna zacht:
“Zij was de enige die mij zag.”
Huub zei niets.
“Niet Farid,” ging Zahir verder.
“Niet de vluchteling. Maar wie ik was. Zij begreep het.”
“Of ze voedde het,” zei Huub.
Zahir lachte kort.
Zonder humor.
“Dat dacht ik ook. Tot ze verdween.”
Hij keek Huub aan.
Voor het eerst echt.
“Ze komt terug,” zei hij.
“Dat weet ik zeker.”
⸻
4. M
Ergens — ver weg van Den Haag — stond een vrouw bij een raam.
Ze droeg andere kleren.
Een andere naam.
Op tafel lag een oude telefoon.
Geen simkaart.
Alleen herinneringen.
Ze keek naar haar spiegelbeeld.
De zachte stem was weg.
De zalvende toon ook.
Alleen focus bleef.
“Bijna,” fluisterde ze.
⸻
5. Lou
Later die nacht lag Lou wakker.
Fay sliep al.
Rosa ademde rustig.
Lou keek naar het plafond van de hotelkamer.
Ze dacht aan M.
Aan Farid.
Aan Zahir.
En aan iets dat Huub had gezegd, heel terloops, bij het afscheid:
“Sommige mensen verdwijnen niet. Ze wisselen alleen van plek.”
Lou sloot haar ogen.
Ze wist dat het nog niet voorbij was.
Niet echt.
DEEL 25 — De Waan
1. Fay
Fay kwam laat.
Niet gehaast, niet paniekerig — maar vastberaden. Alsof ze instinctief wist dat snelheid nu minder belangrijk was dan aanwezigheid.
Lou deed open nog voor ze had aangeklopt.
Ze omhelsden elkaar zonder woorden.
Rosa cirkelde om hen heen, snuffelde, tevreden.
“Ik blijf,” zei Fay simpel.
Lou knikte.
Dat was genoeg.
⸻
2. Het Arrestatiebevel
De volgende ochtend lag het document op Huubs bureau.
INTERPOL — RED NOTICE
Zahir Messoud
Alias: Farid Al-Hamidi
Van Dijk stond bij het raam, de commissaris achter hem.
“Dit overstijgt ons,” zei de commissaris.
“Maar tot uitlevering blijft hij hier. En Huub—”
Hij keek hem strak aan.
“Jij blijft dit doen. Jij begrijpt hem.”
Huub zei niets.
Hij wist: begrijpen was iets anders dan vergeven.
⸻
3. Het Verhoor
Zahir zat tegenover Huub.
Rustiger dan de dagen ervoor.
Alsof hij ergens op wachtte.
Huub legde geen dossier neer.
Geen foto’s.
Alleen zichzelf.
“Ze is gevlucht,” zei Huub plotseling.
Zahir keek op.
“Voor jou,” ging Huub verder.
“Voor de beul van Raqqa.”
Zahir’s adem stokte.
“Ze wist wie je was,” zei Huub.
“Wat je deed op het plein. Hoe je daar stond. Zonder masker.”
Zahir slikte.
“Ze begreep mij,” zei hij zacht.
Huub leunde naar voren.
“Ze begreep dat ze gevaar liep,” zei hij.
“En dus is ze verdwenen.”
Zahir sloot zijn ogen.
Een moment van opluchting gleed over zijn gezicht.
Ze leefde.
In zijn hoofd leefde ze.
Huub liet het zo.
Toen zei hij, langzaam:
“Hoeveel Jezidi’s heb je vermoord, Zahir?”
Zahir’s ogen gingen open.
Zijn blik verhardde.
“Dat waren geen mensen,” zei hij.
Huub voelde zijn maag samentrekken, maar zijn stem bleef vlak.
“Hoeveel.”
Zahir keek naar de tafel.
Zijn vingers trilden.
“Op het plein… meer dan dertig,” zei hij.
“Daarna… weet ik het niet meer. Je telt niet als het werk wordt.”
Huub ademde langzaam uit.
“Hun vaders. Hun moeders. Hun kinderen,” zei hij.
“Ze dromen nog steeds van jou.”
Zahir keek op.
“Zij ook,” zei hij.
“M zal ook dromen.”
Huub stond op.
“Dat zal ze,” zei hij.
En hij meende elk woord — ook al wist hij dat M al lang dood was, op dat dak, in dat ene onomkeerbare moment.
⸻
4. Wat Zahir Niet Weet
Zahir werd teruggebracht naar zijn cel.
Rustiger dan ooit.
Hij lag op zijn brits en staarde naar het plafond.
Ze leefde.
Ze was gevlucht.
Voor hem.
Dat was genoeg om vast te houden.
Wat hij niet wist:
dat M nooit meer zou terugkeren.
Dat ze nooit meer zou spreken.
Dat haar zachte stem al was verstomd in een plas bloed onder een lantaarnpaal.
Huub wist het.
En hij zou het Zahir nooit vertellen.
Sommige waarheden zijn geen recht.
Ze zijn een straf.
DEEL 26 — Binnenblijven
De ochtend begon zonder geluid.
Geen straat, geen stemmen — alleen het zachte zoemen van de airco en het regelmatige ademen van Rosa aan het voeteneind van het bed.
Lou zat al aangekleed op de rand van het bed toen haar telefoon trilde.
“Met Huub.”
“Goedemorgen,” zei Lou. Haar stem klonk lager dan normaal.
“Hoe is de nacht gegaan?”
“Rustig,” zei ze. “Fay is er. Dat scheelt.”
Huub zweeg even.
“Goed. Heel goed zelfs.”
“Ze gaat mee naar Spanje,” zei Lou. “Naar mijn zus.”
“Dan blijven jullie binnen,” zei Huub direct. Geen vraag. “Niet naar buiten. Niet even ‘snel iets halen’. We zijn bezig met een vlucht te regelen. Voor jou, voor Rosa… en nu ook voor Fay.”
Lou keek naar Fay, die bij het raam stond met een kop koffie, haar silhouet scherp tegen het ochtendlicht.
“Naar welk vliegveld woont je zus?” vroeg Huub.
“Málaga,” zei Lou. “Twintig minuten rijden.”
“Dan mikken we daarop,” zei Huub. “Ik bel later vandaag.”
Toen de verbinding werd verbroken, bleef Lou nog even met haar telefoon in haar hand zitten. Alsof er nog iets gezegd moest worden.
⸻
Wat nooit gezegd werd
Fay kwam naast haar zitten.
“Hij klinkt alsof hij alles onder controle heeft.”
“Dat heeft hij niet,” zei Lou. “Maar hij doet alsof. En soms is dat genoeg.”
Ze zwegen even.
Toen begon Lou te praten.
Niet gehaast. Niet dramatisch. Maar alsof ze een deur opende die al te lang dicht zat.
“Ik heb je nooit alles verteld over M,” zei ze.
“Niet omdat ik je niet vertrouwde. Maar omdat ik zelf niet begreep wat er gebeurde.”
Fay keek haar aan, stil.
“Het was niet alleen stalking,” ging Lou verder. “Het zat onder de huid. In blikken. In stiltes. In hoe mensen zich ineens anders gingen gedragen. Alsof ik iets besmettelijks was.”
Ze vertelde over de berichten.
Over de stemmen.
Over de angst die zich niet liet uitleggen.
“En Farid,” zei ze zacht. “Ik kende hem alleen als leerling. Stil. Beleefd. Zo iemand die echt wil leren. En nu… dit.”
Fay legde haar hand op die van Lou.
“Je hoeft dit niet te dragen alsof je het had moeten weten.”
Lou knikte, maar zei niets.
“Waar ik het meest van baal,” zei ze toen, “is dat ik mijn buurvrouw niets mag zeggen. Ik wil haar bellen. Gewoon zeggen dat alles oké is. Dat ze zich geen zorgen hoeft te maken.”
“Maar je mag het niet,” zei Fay.
“Nee.”
“Dan bel je haar straks,” zei Fay. “Als je veilig bent. Dan is het niet te laat.”
Lou ademde langzaam uit.
⸻
Tijd
De uren kropen voorbij.
Ze probeerden Netflix. Dark Winds.
Een aflevering. Twee.
“Goede serie,” zei Fay.
“Ja,” zei Lou. “Maar zelfs moord verveelt op een gegeven moment.”
Ze lachten kort.
Een dun lachje, maar echt.
Rosa lag tussen hen in, haar kop zwaar op Fay’s been, tevreden.
De hotelkamer was te groot.
Te stil.
Te veilig om echt veilig te voelen.
Buiten scheen de zon.
Binnen wachtten ze.
Op een telefoontje.
Op een vlucht.
Op het moment dat dit hoofdstuk eindelijk mocht sluiten.
DEEL 27 — Schaduwen in Beweging
1. Molenbeek
In een bovenwoning aan de Edmond Machtenslaan stond de televisie zacht. Het geluid was nauwelijks nodig; de beelden spraken voor zich.
“Internationaal gezochte oorlogsmisdadiger opgepakt in Den Haag…”
De eerste man, Youssef, leunde met zijn ellebogen op de keukentafel. Zijn baard was kort, zijn haar grijzend bij de slapen. Hij had in Raqqa logistiek gedaan — transport, wapens, routes. Nooit op het plein. Altijd net ernaast.
De tweede, Khaled, jonger, nerveuzer, had wel bloed aan zijn handen. Hij had naast Zahir gestaan. Had gezien hoe hij sprak, hoe hij mensen liet knielen, hoe hij nooit zijn stem verhief.
“Hij leeft,” zei Khaled.
Youssef knikte.
“En hij wordt verplaatst.”
Ze wisten hoe dit ging.
Detentiecentrum.
Tijdelijke holding.
Dan transport — discreet, maar nooit onzichtbaar.
“Niet in Nederland,” zei Youssef. “Daar is het te strak. Maar onderweg… België, Duitsland. Er zijn momenten.”
Ze tekenden het plan niet uit op papier.
Ze spraken het.
Herhaalden het.
Tot het vanzelf klopte.
Een busje.
Een valse pechmelding.
Rook. Chaos. Geen heldendom.
“Niet bevrijden,” zei Youssef. “Wegnemen.”
Zahir was geen vriend.
Hij was een symbool.
En symbolen laat je niet vallen.
⸻
2. Het Telefoontje
Die middag belde Huub.
“Lou,” zei hij. “Luister even goed.”
Ze ging rechtop zitten.
“Het vertrek wordt uitgesteld. Vijf dagen.”
Lou voelde haar maag samentrekken.
“Waarom?”
“Extra veiligheidsmaatregel,” zei Huub. “Er vliegt een air marshal mee. Dat regelen kost tijd. Maar het is nodig.”
Ze knikte, al kon hij dat niet zien.
“Tot die tijd blijf je binnen,” zei Huub. “Fay mag er even uit — niet alleen.”
⸻
3. Het Amsterdamse Bos
Een agent in burger haalde Fay en Rosa op. Hij stelde zich voor als Mark. Rustig. Normaal. Dat was zijn kracht.
Het Amsterdamse Bos lag er herfstachtig bij. Nat blad, open water, joggers die niets wisten en dat ook niet hoefden te weten.
Rosa rende los, haar staart hoog, haar neus diep in het gras.
“Ze lijkt nergens last van te hebben,” zei Fay.
“Dieren weten wanneer ze veilig zijn,” zei Mark. “En wanneer niet.”
Ze liepen langs het water.
Praatten over niets dat ertoe deed: Fay’s werk, Spanje, het weer.
Maar onder alles lag spanning.
Als een dunne draad.
“Ze is sterker dan ze denkt,” zei Mark ineens.
“Lou.”
Fay knikte.
“Ja. Maar sterk zijn kost ook iets.”
⸻
4. De Slaap
Lou was alleen in de hotelkamer toen de vermoeidheid haar overviel. Ze ging even liggen. Slechts even.
De droom kwam onmiddellijk.
Ze stond op een dak.
Nat. Glad. Nacht.
M stond tegenover haar. Niet gevallen. Niet dood.
Haar stem zacht, zoals altijd.
“Je bent te laat,” zei M.
Achter haar verscheen Zahir. Zijn handen schoon. Zijn ogen leeg.
Het dak begon te hellen.
Lou probeerde te schreeuwen, maar haar stem zat vast.
Onder haar voeten gleed de wereld weg.
Ze viel —
maar werd wakker vóór de klap.
Haar hart bonkte.
De kamer was stil.
Rosa was er niet.
Lou ging rechtop zitten.
Dit was nog niet voorbij.
Niet zolang er mensen waren die geloofden dat Zahir gered moest worden.
DEEL 28 — Verkenning
1. De Route
De auto was oud.
Een grijze Peugeot met doffe lak en een dashboard vol barstjes. Youssef reed. Khaled zat zwijgend naast hem, zijn capuchon diep over zijn hoofd.
Ze vertrokken vroeg uit België, nog voor het licht echt doorbrak. De grens merkten ze nauwelijks; een bord, een flauwe bocht, asfalt dat er ineens netter uitzag.
“Niet te snel,” zei Youssef. “We kijken.”
Ze namen de A16, later de A4. Youssef noemde afritten, Khaled maakte mentale notities. Ze spraken weinig, maar begrepen elkaar.
In Den Haag reden ze langzaam langs het detentiecentrum.
Hekken. Camera’s. Slagboom.
Twee ingangen.
“Te gesloten,” zei Khaled.
Ze volgden de mogelijke route richting het Internationaal Strafhof. Langs brede lanen, ambassades, veel groen. Open stukken. Rotondes. Verkeerslichten die te lang op rood bleven.
“Hier,” zei Youssef bij een smalle bocht waar de weg zich splitste. “Vertraging.”
Verderop een tunnel. Slechte zichtlijnen.
Een vluchtstrook die geen echte vluchtstrook was.
Ze reden het traject twee keer.
Een derde keer in omgekeerde richting.
Niet om te handelen.
Om te weten.
⸻
2. Rotterdam
Ze reden door naar Rotterdam, kozen bewust niet voor Den Haag. Te zichtbaar. Te logisch.
Het hotel lag in een achterbuurt. Neonlicht. Een receptie met kogelvrij glas. De man achter de balie stelde geen vragen.
Eén kamer.
Twee bedden.
Een raam dat niet open kon.
Khaled ging op het bed zitten en haalde zijn telefoon tevoorschijn.
Geen berichten.
“Geduld,” zei Youssef.
Ze zouden wachten.
En kijken.
⸻
3. De Talkshow
In haar hotelkamer zat Lou op de rand van het bed, Fay naast haar, Rosa slapend tussen hen in. De televisie stond aan, meer voor gezelschap dan uit interesse.
Een talkshow.
Bezuinigingen. Onderwijs.
Een gast aan tafel leunde naar voren en zei, bijna terloops:
“Het is toch raar dat iedereen loopt te zeuren over bezuinigingen terwijl het ROC Mondriaan een van de rijkste scholen van Nederland is. Misschien moet men eens vragen hoe zij het doen.”
Lou voelde haar schouders verstijven.
De naam hing even in de lucht.
Onschuldig uitgesproken.
Maar beladen.
Fay keek haar aan.
“Dat is die school toch?”
Lou knikte langzaam.
“Ja.”
De televisie praatte door.
Maar Lou luisterde niet meer.
⸻
4. Ewald van Vliet
Ewald van Vliet stapte in zijn auto na zijn wekelijkse padelavond. Hij rook naar zweet en aftershave, zijn racket lag op de achterbank.
Zijn mobiel trilde.
Nog een keer.
En nog eens.
Berichten.
Gemiste oproepen.
Bestuurssecretaris. Communicatie. Een onbekend nummer.
Hij zuchtte, startte de auto en reed weg, terwijl hij vluchtig op zijn scherm keek.
Heb je dit gezien?
We worden genoemd.
Journalist wil reactie.
Ewald legde zijn telefoon weg.
Later. Morgen.
Hij reed de straat in, het donker tegemoet, niet wetend dat oude beslissingen zelden oud blijven.
Sommige dingen komen terug.
Altijd.
DEEL 29 — Vier Dagen
Lou stond midden in de hotelkamer met een jurk in haar handen. Ze had hem al drie keer opgevouwen en weer opengevouwen.
“Deze dan?” vroeg ze. “Of is dit te opvallend?”
Fay zuchtte. Niet hard, maar hoorbaar.
“Waar maak je je nou druk om, mam? Jezus. We vliegen drie uur. Dat is alles.”
Lou keek haar aan. Haar ogen stonden strak.
“Ja… maar Huub zei: neem alleen het hoognodige mee. Niet dat ik wel een week of langer moet onderduiken. En dan sta ik hier te twijfelen over kleren.”
Ze gooide de jurk op het bed.
“En mannen ook,” zei ze geïrriteerd. “Altijd zo vaag.”
Fay draaide zich naar haar toe.
“Misschien kan ik met Mark wat thuis ophalen.”
Lou schudde direct haar hoofd.
“Dat vind ik geen prettig idee. Een vreemde in mijn huis.”
“Ik ga naar binnen,” zei Fay. “Hij niet.”
Lou aarzelde.
“Maak een lijstje,” ging Fay door. “Ik bel Huub. Vraag of het oké is dat ik met Mark even langsga. Dan geef ik meteen de poezen aan de buurvrouw, met hun eten.”
Lou keek haar aan.
“En wat zeg je dan?”
“Ik zeg dat ik je meeneem op een surprisevakantie,” zei Fay.
“Dan lieg ik toch niet?”
Lou glimlachte flauwtjes.
“Je bent slimmer dan ik was op jouw leeftijd.”
⸻
Ewald van Vliet zat aan de keukentafel met zijn laptop open. De sporttas stond onaangeroerd in de gang. Hij had zich niet eens omgekleed.
Zijn inbox bleef binnenstromen.
Onderwerpregels:
Verzoek om reactie
Bezuinigingen ROC Mondriaan
Transparantie financiën
Hij opende zijn werkmail. Nog voller.
Interne berichten. Externe vragen. CC’s waar hij liever niet in stond.
Hij las alles nog eens aandachtig. Langzamer nu.
Dit was geen rimpeling meer.
Dit was golfslag.
Hij pakte zijn telefoon. Twijfelde. Legde hem weer neer.
Morgen, dacht hij.
Maar ergens wist hij: morgen was al begonnen.
⸻
In de hotelkamer in Rotterdam lag een plattegrond uitgespreid op het bed. Youssef wees met zijn vinger.
“Hier,” zei hij. “Na de tunnel.”
Khaled knikte.
“Dan rook. Eerst verwarring.”
“We hebben een zware bestelbus nodig,” zei Youssef. “Geen opvallende kleur. En Duitse kentekenplaten.”
“Die stelen we,” zei Khaled. “Van een auto die hier staat. Wisselen we.”
“Benzine,” zei Youssef. “Voor de bus. Na afloop.”
Khaled keek op.
“En wapens?”
Youssef liep naar de auto en opende de achterbak.
Een tas. Zwaar.
“Niet veel,” zei hij. “Het moet snel. Hard. En weg.”
Ze hadden nog vier dagen.
Youssef pakte zijn telefoon en scrolde door oude contacten.
Namen zonder foto’s.
Nummers zonder geschiedenis.
Hij belde.
Aan de andere kant werd opgenomen.
“Het is tijd,” zei Youssef.
En legde neer.
Vier dagen.
Meer hadden ze niet nodig.
DEEL 30 — Nachtgedachten
Ewald van Vliet lag wakker.
Het rode cijfer van de wekker brandde harder dan nodig was. 02:17. Daarna 02:18. Elk minuutje voelde als een aanklacht.
Zijn telefoon lag op het nachtkastje, scherm naar beneden. Alsof dat hielp.
Hij wist wat erop stond. Gemiste oproepen. Berichten. Voicemails die hij niet had durven openen.
Hoe lang heb ik?
Dat was de vraag die bleef hangen.
Niet óf hij moest reageren — maar wanneer.
Een intern onderzoek. Onafhankelijk. Integer. Dat woord zou overal vallen. Hij proefde het al.
Wie zou hij aanwijzen?
Management? Facilitair? Vastgoed? Financiën?
En dan die andere vraag, de gevaarlijkste van allemaal:
Is onze financiële positie werkelijk zoveel beter dan die van andere ROC’s?
Hij kende de cijfers. Natuurlijk kende hij die.
Reserves. Vastgoed. Slimme constructies. Jaren van voorzichtig beleid.
Maar cijfers vertellen nooit het hele verhaal.
En journalisten houden van halve waarheden.
Ewald draaide zich om. Sluit zijn ogen.
En zag koppen.
⸻
Huub zat rechtop aan de keukentafel.
Het huis was stil. Te stil.
Hij had de kaart weer voor zich. Routes. Tijdstippen. Verbindingswegen.
Alles klopte. En juist dat was het probleem.
Zijn onderbuikgevoel bleef zeuren. Niet luid, maar hardnekkig.
Er miste iets. Iets wat hij nog niet kon benoemen.
Van Dijk wilde dossiers, niet gevoelens.
Prioriteiten. Capaciteit. Budget.
Hoe overtuig ik iemand van iets wat ik zelf nog niet kan bewijzen?
Huub stond op, liep naar het raam.
De straat lag er verlaten bij.
Hij dacht aan Zahir.
Aan M.
Aan Lou.
Teveel lijnen die elkaar raakten.
Hij wist: als hij nu niets deed, zou hij later precies weten waar het fout was gegaan.
⸻
Lou zat op de rand van het bed met een boek open op haar schoot.
Ze had dezelfde bladzijde drie keer gelezen zonder iets op te nemen.
De letters gleden langs haar heen.
Rosa zuchtte zacht in haar slaap. Fay draaide zich om en mompelde iets onverstaanbaars.
Lou keek naar hen en voelde hoe de onrust zich vastzette in haar schouders.
Misschien een warme douche.
Het idee alleen al voelde als een belofte.
Water. Geluid. Stoom. Even nergens aan hoeven denken.
Ze legde het boek weg, stond op en liep op blote voeten naar de badkamer.
Terwijl het water begon te lopen, wist ze:
rust is geen plek.
Het is iets wat je tijdelijk krijgt — en zomaar weer verliest.
⸻
Buiten regende het nog steeds.
Niet hard.
Maar onafgebroken.
De nacht hield zijn adem in.
DEEL 31 — De Inval
Om 08:42 ligt de opdracht al op Peter Jansma’s bureau.
Afdeling 4.
AIVD/NCTV.
Dreiging, radicalisering, netwerken die zich niet aankondigen maar opduiken.
Peter leest niet hardop. Hij hoeft niets te markeren. De lijnen zijn helder: geldstromen, bestuurlijke blindheid, risico’s die te lang als intern zijn behandeld.
Om 10:00 staat zijn team in de briefingruimte.
“Geen discussie,” zegt Peter. “Geen vertraging. We gaan volledig.”
Hij kijkt de kring rond.
“ROC Mondriaan. Financiële administratie. Digitaal én fysiek. Servers, back-ups, laptops, archiefkasten. Alles.”
Iemand vraagt: “Media?”
“Later,” zegt Peter. “Eerst controle.”
⸻
Het gebouw oogt onschuldig. Glas. Beton. Ochtendlicht.
Binnen is het geluid van voetstappen anders wanneer mensen weten waarvoor ze komen.
De receptie verstijft.
Beveiliging wijkt.
Een beheerder belt iemand die niet opneemt.
In stilte wordt er gewerkt. Kabels los. Servers uit rekken. Dozen dicht. Stickers erop.
Papier verdwijnt in kratten alsof het nooit anders heeft bestaan.
Op de gang blijft een medewerker staan met een map onder haar arm. Ze weet niet of ze moet lopen of wachten.
Niemand kijkt haar aan.
⸻
Ewald van Vliet zit al in zijn kantoor wanneer Peter binnenkomt.
Geen handdruk.
Wel oogcontact.
“Dit is geen inspectie,” zegt Peter rustig. “Dit is een onderzoek.”
Ewald knikt. Zijn gezicht staat strak.
“Waarop gebaseerd?”
“Op risico,” zegt Peter. “En op wat u níét heeft gemeld.”
Hij leunt iets voorover.
“Hoe verklaart u de reserves? De vastgoedconstructies? De verschillen met andere ROC’s?”
Ewald opent zijn mond, sluit hem weer.
“Alles is volgens de regels—”
“Regels,” onderbreekt Peter, “zijn geen schild.”
Hij laat een stilte vallen.
“Wie wist hiervan?”
Dat is de vraag die blijft liggen.
⸻
Huub staat bij Van Dijk in het kantoor. De deur halfopen. Het gesprek half gewonnen.
“Het dossier ligt bij het Internationaal Strafhof,” zegt Van Dijk. “Dat is niet meer van ons.”
“Maar de context is het wél,” zegt Huub. “De netwerken. De timing.”
Van Dijk zucht.
“Huub, ik heb geen mensen over voor onderbuikgevoelens.”
Huub knikt.
Dat was het antwoord.
⸻
In het hotel lachen Lou en Fay zacht boven hun bord.
Croissants. Vers fruit. Koffie die nergens naar haast.
“Om één uur ga ik met Mark Rosa uitlaten,” zegt Fay. “Daarna even langs huis. Koffers pakken.”
Lou somt op.
“Mijn zwarte jas. Het boek dat ik niet uitkrijg. Die sjaal van mam. En… foto’s.”
“Meer niet,” zegt Fay. “Het is vakantie.”
Lou glimlacht, maar haar handen trillen licht rond het kopje.
⸻
Aan de rand van de stad staat een bestelbus stil in een loods.
Youssef controleert niets twee keer. Hij weet wat erin ligt.
Papieren wisselen van eigenaar. Namen veranderen. Gezicht blijft.
“Voor hem,” zegt Khaled, “en voor ons.”
“Voor iedereen,” zegt Youssef.
Ze spreken Zahir’s naam niet uit.
Sommige namen roep je niet.
Je draagt ze.
⸻
Buiten schuift de dag verder.
Instellingen bewegen. Mensen plannen. Anderen hopen.
En ergens, tussen ontbijt en dossiers, tussen stilte en actie,
wordt de ruimte kleiner waarin fouten nog onschuldig zijn.
DEEL 32 — Sporen van Geld
Peter Jansma staat voor het whiteboard.
Geen schema’s, geen pijlen. Alleen woorden.
“Resultaten,” zegt hij. Zijn stem is laag maar onmiskenbaar scherp.
“Geen aannames. Geen interpretaties. Ik wil feiten.”
Hij kijkt zijn team één voor één aan.
“Ik wil de geldstromen volledig in beeld. Niet alleen hoeveel, maar waarvandaan. Subsidies, reserves, vastgoed, stichtingen, derden. Alles wat binnenkomt, alles wat verschuift.”
Hij tikt met zijn vinger op tafel.
“En vooral: hoe het in de boeken verdwijnt zonder vragen op te roepen.”
Er valt een korte stilte.
“Dit gaat niet om slordigheid,” vervolgt hij. “Dit gaat om structuur. Als geld jarenlang ongezien kan bewegen, dan is dat geen fout. Dat is een systeem.”
Taken worden verdeeld.
Niet hardop, maar impliciet. Iedereen weet waar hij goed in is.
Digitale specialisten reconstrueren databases.
Financieel analisten vergelijken jaren.
Een jurist leest statuten alsof het thrillers zijn.
Peter sluit af:
“Vanavond wil ik een eerste overzicht. Geen conclusies. Alleen patronen.”
Hij draait zich om.
“En als iemand hier denkt dat dit eindigt bij een schoolbestuur—dan heeft hij het mis.”
⸻
Buiten staat Ewald van Vliet bij het raam van zijn kantoor.
Beneden klikken camera’s.
Journalisten praten in korte zinnen, alsof ze alvast oefenen.
Zijn telefoon trilt.
Uitnodiging talkshow — vanavond 21:30.
Hij leest het bericht drie keer.
Niet of hij moet gaan, maar hoe hij het overleeft.
Ewald roept zijn secretariaat.
“Vergadering. Nu.”
⸻
De bestuurskamer vult zich snel.
Stoelen schuiven. Mappen klappen open. Iemand schenkt water in zonder te vragen.
Ewald staat aan het hoofd van de tafel.
Hij oogt rustig. Dat is nieuw.
“Luister,” zegt hij. “Dit is geen crisis. Dit is een moment.”
Een wenkbrauw gaat omhoog aan de andere kant van de tafel.
“De AIVD kijkt,” gaat hij verder. “Dat betekent dat alles wat we zeggen, wordt onthouden. Alles wat we verzwijgen, ook.”
Iemand vraagt: “Wat zeggen we tegen de pers?”
Ewald aarzelt een fractie van een seconde.
“Transparantie,” zegt hij dan. “Binnen de kaders.”
“En de cijfers?” vraagt een ander.
“Die zijn correct,” zegt Ewald. “Maar context is alles.”
Hij leunt voorover.
“Ik wil één lijn. Geen losse uitspraken. Geen eigen interpretaties.”
Een bestuurder schuift nerveus met zijn pen.
“En als ze vragen naar de reserves?”
Ewald knikt langzaam.
“Dan zeggen we dat gezond financieel beleid geen misdaad is.”
Niemand lacht.
⸻
Buiten wordt een doos met dossiers naar een bus gedragen.
Een fotograaf vangt het moment.
Binnen zakt iemand even weg in zijn stoel.
En ergens, diep in spreadsheets en jaarverslagen,
beginnen cijfers zich te gedragen als verhalen —
met een eigen geheugen
en weinig geduld voor uitleg.
DEEL 33 — Onder Vuur
De studioverlichting is genadeloos.
Ewald van Vliet zit rechtop, handen gevouwen, een glimlach die net iets te lang blijft hangen.
De presentator wacht niet.
“U spreekt over gezonde reserves,” zegt hij. “Maar ondertussen horen we over achterstallig onderhoud. Mensen die gevaar lopen. Hoe legt u dat uit?”
Applaus. Hard. Kort. Oordelend.
Ewald ademt in.
“Financiële stabiliteit—”
“—is iets anders dan een spaarpot,” onderbreekt de presentator. “Vindt u het normaal dat iemand van een dak kan vallen terwijl er miljoenen op de rekening staan?”
Het publiek klapt opnieuw. Iemand roept iets onverstaanbaars.
Ewald knikt, alsof hij begrip toont. Zijn ogen zoeken de camera.
“Onderhoud is een complex proces—”
De woorden verdwijnen in het geluid van applaus en gemor.
Op sociale media explodeert het.
Fragmenten worden gedeeld, uit context gehaald, vertraagd, herhaald.
Zijn mailbox loopt vol.
Woede. Spot. Dreiging.
Bloed aan je handen.
Elite.
Links én rechts hebben je door.
Zijn privé-account wordt overspoeld. Foto’s van zijn huis circuleren. Iemand stuurt een adres.
Doodsbedreigingen.
⸻
Peter Jansma zit in zijn mid century fauteuil, een glas water binnen handbereik. Hij kijkt zwijgend.
Niet naar de woorden.
Naar Ewald.
De kleine bewegingen.
De spanning in de kaak.
Het moment waarop hij zijn schouders iets optrekt — verdedigend.
“Daar,” mompelt Peter tegen zichzelf.
Niet schuld.
Maar angst.
⸻
In het hotel staat Lou plotseling op.
“Dit is toch niet te geloven,” zegt ze fel. “Alsof het een boekhoudkundige keuze is!”
Fay kijkt haar aan.
“Mam—”
“Hij noemt het spaargeld,” zegt Lou. “Spaargeld! Terwijl mensen gevaar liepen.”
Ze loopt heen en weer.
Onrecht brandt harder dan angst.
Fay zet het geluid zachter.
“Je maakt jezelf kapot zo.”
Lou zakt op de bank. Haar handen trillen.
“Ik kan hier niets mee,” fluistert ze. “Niets.”
⸻
In een kamer met gedempt licht knielen Khaled en Youssef op hun gebedskleden.
Hun stemmen zijn laag, ritmisch.
Na afloop blijft Khaled even zitten.
“Vrijdag zijn we in Brussel,” zegt hij. “Dat is goed.”
Youssef knikt.
“Het paspoort is klaar.”
Ze bekijken het document.
Zahir. Een oude foto. Baard. Andere ogen.
“Het hoeft niet perfect te zijn,” zegt Youssef. “Alleen overtuigend.”
⸻
In een verhoorkamer zit Zahir tegenover twee rechercheurs.
“Raqqa.”
“Aleppo.”
“Het plein.”
De vragen komen rustig.
Steeds hetzelfde, vanuit een andere hoek.
Zahir antwoordt weinig. Soms helemaal niet.
Zijn blik is ergens anders.
Bij één naam knippert hij.
Een fractie van een seconde.
Niemand zegt iets.
Maar iedereen ziet het.
⸻
Buiten gaat de avond over in nacht.
De stad ademt door.
En terwijl meningen verharden, dossiers dikker worden en grenzen vervagen,
is er één ding dat steeds duidelijker wordt:
niemand zit hier nog veilig
achter zijn eigen verhaal.
DEEL 34 — Drukpunten
Ewald van Vliet wordt ’s ochtends opgehaald.
Geen sirenes.
Geen handboeien.
Maar ook geen keuze.
De auto is donker. De ramen getint. De bestuurder zegt niets.
Ewald zit rechtop, handen op zijn knieën, alsof hij zichzelf tot rust probeert te manen.
Het verhoor vindt plaats in een kale ruimte. Geen logo’s. Geen ramen.
Peter Jansma zit tegenover hem. Alleen een map tussen hen in.
“Laten we beginnen,” zegt Peter rustig.
Ewald knikt.
“Graag.”
Peter schuift een vel papier naar voren.
“Leg mij uit hoe geld vanuit vastgoedvennootschappen structureel in onderwijsbudgetten terechtkomt zonder dat dit extern wordt verantwoord.”
Ewald ademt diep in.
“Dat zijn legale constructies—”
“Legaal is niet hetzelfde als transparant,” zegt Peter. “En transparantie is hier de kern.”
Het gesprek sleept zich voort.
Jaren. Besluiten. Vergaderingen die niemand meer kan terughalen.
Peter stelt geen snelle vragen. Hij herhaalt.
Net zolang tot antwoorden beginnen te verschuiven.
“Wie nam het initiatief?”
“Wie wist hiervan?”
“Waarom nu pas?”
Ewald’s stem wordt hees. Zijn schouders zakken.
“Ik wilde stabiliteit,” zegt hij uiteindelijk. “Geen risico’s.”
Peter leunt iets naar voren.
“En wie liep het risico?”
De stilte die volgt is zwaarder dan alle woorden ervoor.
⸻
Lou zit op het bed en staart naar de muur.
“Dit is een verrekte gouden kooi,” zegt ze fel. “Ik word hier gek.”
Fay blijft rustig. Ze kent dit.
“Mam, het is tijdelijk.”
“Tijdelijk voelt hier eindeloos.”
Fay denkt even na, haalt dan iets uit haar tas.
“Dit neem je toch niet mee door de douane.”
Lou kijkt verbaasd. Dan lacht ze.
“Jij bent erg.”
Even later zit Lou achterover, schouders ontspannen.
Ze lacht om niets. Om alles.
“Misschien,” zegt ze zacht, “moet ik vaker niets doen.”
Fay glimlacht.
“Welkom.”
⸻
Youssef staat bij een tankstation aan de rand van de stad.
Hij vult kleine jerrycans. Niet te veel. Niet te weinig.
Alles moet kloppen.
Eén verdwijnt in de bestelbus.
De andere in de kofferbak van de vluchtauto.
Hij parkeert de auto zorgvuldig. Let op zichtlijnen. Camera’s.
Onopvallend.
Dan het openbaar vervoer.
Metro. Overstap. Tram.
Mensen om hem heen praten over niets. Werk. Weer. Weekend.
Niemand kijkt.
Youssef zit stil, handen op zijn knieën.
Hij telt haltes.
Dit deel van het plan is het gemakkelijkst.
En daarom het gevaarlijkst.
⸻
De dag schuift verder.
In een verhoorkamer kraakt macht.
In een hotelkamer ontspant angst.
Op straat wordt brandstof verplaatst.
Alles ligt klaar.
DEEL 35 — Dossiers en Vertrek
Lou zit aan het kleine tafeltje bij het raam wanneer haar telefoon trilt.
Huubs naam licht op.
Ze ademt in.
“Met Lou.”
“Goed nieuws,” zegt Huub. Zijn stem klinkt beheerst, bijna geruststellend. “We hebben alles rond. Jullie vertrekken op de achttiende. Vlucht om 16:25.”
De datum landt langzaam.
De achttiende. Nog een paar dagen.
“Mark haalt jullie die dag op,” gaat Huub verder. “Brengt jullie naar Schiphol. Tot aan de gate. Er vliegt in ieder geval één air marshal mee.”
Lou kijkt naar Fay, die met nat haar uit de badkamer komt. Ze steekt haar hand op.
Fay begrijpt meteen: het is geregeld.
“En Rosa,” zegt Huub. “Daar is ook aan gedacht. Ik heb een bench geregeld en een tijdelijk paspoort, zodat je zonder gedoe kunt reizen.”
Lou glimlacht onwillekeurig.
“Heb je ook aan rabiës gedacht?”
“Dat wilde ik net vragen,” zegt Huub. “Heeft ze haar shots gehad? Zo niet, dan regel ik dat nog vóór vertrek op de achttiende.”
Lou kijkt naar Rosa, die haar kop schuin houdt.
“Ze is helemaal bij,” zegt ze. “Dank je, Huub. Echt.”
“Tot die tijd blijven jullie binnen,” zegt hij. “Geen uitzonderingen.”
Wanneer het gesprek eindigt, blijft Lou even zitten.
Niet uit angst dit keer, maar uit opluchting die voorzichtig durft te bestaan.
“Fay,” zegt ze zacht. “We gaan. De achttiende.”
⸻
Peter Jansma zit opnieuw in dezelfde verhoorruimte.
Het licht is onverbiddelijk. Dit keer geen map, alleen een tablet.
“Wie heeft M aangenomen?” vraagt hij.
Ewald slikt.
“Via HR.”
“Niet wie,” zegt Peter kalm. “Hoe.”
“Snelle procedure,” zegt Ewald. “Personeelstekort. Er moest geschakeld worden.”
Peter tikt iets aan.
“Welke leraren zaten in haar team?”
Hij leest de namen hardop.
Vier vaste krachten. Ervaren. Overbelast.
En Lou.
“Lou,” zegt Peter. “Beschrijf haar.”
Ewald recht zijn rug.
“Toegewijd. Betrokken. Kritisch wanneer nodig. Ze stond dicht bij cursisten.”
“M?” vraagt Peter.
“Charismatisch,” zegt Ewald na een korte aarzeling. “Dominant. Controlerend.”
“En A?”
Een schaduw trekt over Ewalds gezicht.
“A was inhoudelijk sterk. Maar botste met M. Het werd persoonlijk.”
“Hoe persoonlijk?” vraagt Peter.
“Ruzies,” zegt Ewald. “Steken onder water. Wantrouwen.”
“En toen?”
“Toen raakte A geïsoleerd,” zegt Ewald zacht. “En vertrok.”
Peter laat de stilte vallen.
“Dat noemen we geen incident,” zegt hij. “Dat noemen we structureel falen.”
Hij leunt achterover.
“Wie keek weg, meneer Van Vliet?”
Ewald zwijgt.
⸻
Lou en Fay pakken hun spullen.
Alleen het hoognodige.
Kleding. Documenten. Foto’s. De sjaal.
Rosa snuffelt aan de bench, aarzelend maar niet bang.
“Het is maar even,” zegt Fay tegen haar.
Lou kijkt rond in de hotelkamer.
De gouden kooi.
Nog een paar dagen.
Dan lucht.
Dan afstand.
Buiten rijdt Mark de parkeerplaats op.
De achttiende nadert.
DEEL 36 — De Achttiende
Youssef zit onderuitgezakt op het bed en kijkt naar het scherm aan de muur. Het geluid staat laag, maar de ondertiteling leest hij woord voor woord.
Internationaal Strafhof — zitting gepland om 10:00 uur.
Hij recht zijn rug. Nog eens.
Tien uur. Dat is geen toeval, denkt hij. Dat is logistiek. Symboliek vermomd als planning.
Khaled zit aan het kleine tafeltje en roert in een kartonnen beker koffie.
“Ze hebben een tijd,” zegt Youssef. “Dat betekent beweging.”
Khaled knikt langzaam.
“Dan moeten wij eerder klaar zijn.”
“Zeven uur,” zegt Youssef. “Dan zijn we gereed. Geen haast. Geen improvisatie.”
Ze spreken niet over wat daarna komt.
Sommige afspraken bestaan alleen bij de gratie van stilte.
De televisie zapt verder. Nieuws. Weer. Een item over verkeersdrukte.
Youssef kijkt weg.
De dag ligt vast.
⸻
Op een ander kanaal wordt gesproken over een demonstratie.
Pro-Palestina-organisaties. Samidoun.
De achttiende. Den Haag.
Spandoeken worden geschilderd. Routes besproken. Vergunningen afgegeven.
Een ambtenaar heeft zijn handtekening gezet.
Niemand heeft gekeken naar samenloop.
Naar context.
Naar wat er al in beweging was.
Het woord bijzondere omstandigheden komt niet voor in het verslag.
⸻
In de hotelkamer staan de koffers klaar.
Tenminste — dat was de bedoeling.
Lou duwt haar knie tegen de koffer en trekt aan de rits.
Die weigert.
“Dit is echt onmogelijk,” moppert ze. “Ik neem te veel mee. Ik neem altijd te veel mee.”
Fay zit op het bed en scrollt op haar telefoon.
“Mam, je hebt drie vesten. Het is Spanje.”
“Je weet nooit,” zegt Lou terwijl ze begint te ijsberen. “Stel dat het ’s avonds afkoelt. Of dat—”
“—dat we gewoon kunnen wassen,” vult Fay aan.
Lou zucht, pakt haar telefoon en belt haar buurvrouw.
“Ja, hoi, met Lou,” zegt ze opgewekt. Te opgewekt. “Nee hoor, alles goed. Fay heeft me verrast met een reisje.”
Ze glimlacht naar Fay, die haar een duim opsteekt.
“Zou jij… ja, de katten? En de vissen voeren? En wil je de post gewoon op tafel leggen?”
Ze luistert, knikt.
“Ja, precies. Dank je wel. Echt.”
Wanneer ze ophangt, blijft ze even staan.
Haar hand om de telefoon geklemd.
Reisstress, noemt ze het.
Maar diep vanbinnen weet ze: dit is iets anders.
De achttiende nadert.
Iedereen is bezig.
Maar niet iedereen weet waarmee.
DEEL 37 — In Beweging
De bestelbus staat stil aan de rand van de stad, motor uit.
Youssef en Khaled stappen uit, kijken niet om zich heen maar door de omgeving heen — alsof alles al is afgetast.
Ze openen de achterdeur en verdwijnen in de laadruimte.
De deur valt dicht. Het geluid dempt onmiddellijk.
Binnen is het schemerig. De geur van metaal en stof.
Ze trekken gezichtsbedekking aan, geen haast, geen woorden. Alleen routine.
Youssef gaat zitten op de bank langs de wand. Zijn handen rusten op zijn knieën.
Khaled sluit zijn ogen even.
Dit is het punt waarop plannen geen theorie meer zijn.
Buiten rijden auto’s voorbij.
Niemand ziet wat niet gezien wil worden.
⸻
Aan de andere kant van de stad verzamelen mensen zich.
De instructies zijn helder.
Geen geweld. Geen provocatie. Blijf bij de route.
Vrijwilligers lopen langs de groep, herhalen de regels.
Megafoons kraken. Spandoeken worden omhoog gehouden.
“Rustig blijven.”
“Niet reageren.”
De sfeer is gespannen maar beheerst.
Veel gezichten. Veel overtuiging. Ook veel frustratie.
De stad ademt in.
Er is beweging, maar nog geen chaos.
⸻
In het detentiecentrum klinkt het slot van een cel.
Zahir staat op wanneer zijn naam wordt genoemd.
Hij zegt niets.
Handboeien klikken.
Een vest wordt aangereikt en aangetrokken.
Hij voelt het gewicht ervan, maar ook de bescherming.
De routine van overdracht.
Buiten wacht een donkere bus.
Geen ramen. Geen herkenning.
Wanneer de deur sluit, is de wereld teruggebracht tot geluid en ademhaling.
Zahir kijkt naar zijn handen.
Denkt aan M.
Denkt dat ze ergens wacht.
⸻
Hoog boven de wolken zit Lou in haar stoel.
Ze pakt een schaaltje en neemt gedachteloos een gerookte amandel.
Verslikt zich. Hoest. Tranen in haar ogen.
“Gaat het?” vraagt Fay meteen.
Lou knikt, lachje erbij.
“Ja… ja hoor. Gewoon… droge lucht.”
Ze drinkt een slok water en kijkt naar voren.
Probeert haar hartslag te negeren.
Diep onder haar ligt Rosa in haar bench.
De motoren brommen. Het vliegtuig stijgt verder.
De stad wordt kleiner.
Maar wat daar beweegt, blijft bewegen.
DEEL 38 — Breuklijn
De stad houdt even haar adem in.
Aan de rand van een drukke kruising staat verkeer stil. Motoren draaien. Mensen kijken om zich heen zonder te weten waarom. Er hangt iets in de lucht dat niet te benoemen is — spanning zonder richting.
In een geparkeerde bestelbus voelen twee mannen hoe de tijd vertraagt.
Een blik is genoeg. Maskers verdwijnen over gezichten. Niet gehaast. Niet aarzelend.
Wanneer ze uitstappen, mengen ze zich met de beweging van de stad.
Langs auto’s. Langs mensen. Langs overtuigingen.
Aan de overkant komt een groep demonstranten in zicht. Spandoeken, stemmen, ritme. Alles wat orde suggereert.
Dan stokt alles.
Een knal.
Niet luid — maar scherp genoeg om betekenis te hebben.
Mensen schreeuwen. Sommigen vallen. Anderen duiken weg achter wat ze kunnen vinden: auto’s, stoepranden, elkaar. De massa verliest vorm en wordt instinct.
Agenten bewegen. Sneller. Harder. Stemmen door elkaar.
Een moment — te kort om vast te houden — waarin dreiging en besluit samenkomen.
Een deur gaat open.
Zahir rent.
Niet heroïsch. Niet moedig. Alleen gedreven door overleven.
Hij volgt zonder om te kijken.
Wanneer ze verdwijnen, blijft de kruising achter als een verlaten toneel. Spandoeken op de grond. Schoenen zonder eigenaar. Sirenes die dichterbij komen.
Een agent praat schor in zijn portofoon.
Woorden struikelen over elkaar heen.
“Ontsnapt.”
⸻
De stad verplaatst zich razendsnel.
Straten vloeien in elkaar over.
Verkeer wordt achtergrond.
Alles wat telt is afstand.
⸻
Hoog boven dit alles zit Lou in een vliegtuigstoel.
Ze weet niets.
Niet van de kruising.
Niet van de paniek.
Niet van de man die weer vrij is.
Ze ademt rustig. Kijkt uit het raam.
Rosa ligt diep in het ruim.
De wolken zijn wit.
De wereld daaronder onzichtbaar.
Zahir is ontsnapt.
DEEL 39 — Naschokken
Lou zit op de bank bij haar zus, Fay naast haar, allebei nog in die vreemde toestand waarin je lichaam al is aangekomen maar je hoofd achterblijft.
De vlucht was allesbehalve rustig geweest.
Het begon al bij de landing.
Wachten. Nog meer wachten.
En toen Rosa.
Na eindeloos navragen verscheen de bench eindelijk op de transportband. Te laat. Te luid.
Rosa blafte onafgebroken — hoog, verontwaardigd, alsof ze persoonlijk was beledigd door de hele reis.
Lou probeerde haar kalm toe te spreken, Fay zocht koortsachtig in de bagage.
De tie wraps zaten muurvast.
“Een schaar, alstublieft,” had Lou gezegd. “Of iets scherps.”
Maar niemand mocht.
Niet bij de balie. Niet bij de douane. Niet bij de service.
De reistas met de verlossende schaar?
Ook dicht. Met een tie wrap.
Rosa bleef blaffen. Mensen keken. Iemand zuchtte.
Pas na eindeloos overleg kwam er iemand van beveiliging die, uiterst voorzichtig, de wraps doorknipte.
Toen Rosa eindelijk vrij was, sprong ze tegen Lou op.
Alsof ze wilde zeggen: je laat me niet meer los.
⸻
In een hotelkamer, ver weg van zon en familie, zit Zahir op de rand van het bed.
De gordijnen zijn dicht.
De televisie staat zacht.
De wegen richting de grens zijn afgesloten. Dat is duidelijk.
Youssef heeft de vluchtauto achtergelaten, overgoten met benzine, in brand gestoken. Sporen wissen. Tijd kopen.
Nu is er niets anders dan wachten.
Geen aandacht trekken. Geen beweging.
Op het nieuws wordt de actie herhaald.
Beelden. Analyses. Deskundigen.
Woorden als chaos, falen, escalatie.
Khaled zapt weg. Nog een kanaal.
Daar zit Ewald. Opnieuw.
Andere studio. Zelfde druk.
“Wat wist u van M?” vraagt de presentator scherp.
“Wie was zij?”
Ewald haalt hoorbaar adem.
“Ze was teamleider. Ambitieus. Betrokken.”
“U had een beoordelingsgesprek met haar,” zegt de presentator. “Wat kwam daaruit?”
Ewald knikt langzaam.
“Ze was tevreden. Vooral over haar privésituatie. Ze had net een woning gekocht. Een bovenwoning in Den Haag.”
Hij aarzelt een fractie van een seconde.
“Boven… haar collega Lou.”
De presentator spitst toe.
“En het fatale ongeval?”
Ewald slikt.
“Een tragisch incident. Een val van het dak.”
In de hotelkamer verstijft Zahir.
Zijn blik blijft hangen op het scherm.
Op Ewald. Op het woord val.
M dood?
Het geluid van de televisie vervaagt.
Zijn adem stokt.
Voor het eerst sinds lange tijd is het niet angst wat hij voelt.
Maar iets wat lijkt op verlies —
en verwarring.
⸻
In Spanje ligt Rosa languit op de koele tegelvloer.
Lou kijkt naar haar, moe maar veilig.
Ze weet niets van wat zich heeft afgespeeld.
Van brandende auto’s. Van afgesloten wegen. Van een man die nu weet dat iemand uit zijn verleden niet meer leeft.
De zon zakt langzaam.
De dag sluit zich.
Maar de naschokken zijn nog lang niet voorbij.
DEEL 40 — Breuken
De hotelkamer ruikt naar oude koffie en stilstand.
Zahir zit op het bed, voorovergebogen, zijn handen ineengehaakt. Het nieuws is allang afgelopen, maar de woorden blijven hangen.
M dood.
Hij zegt het niet hardop. Alsof het pas echt wordt als hij het uitspreekt.
Khaled zit tegenover hem.
“Als ze dood is,” zegt Zahir eindelijk, “wil ik weten waar.”
Khaled knikt langzaam.
“Een adres laat sporen na,” zegt hij. “Papier. Bezit.”
Hij pakt zijn telefoon, draait een nummer dat hij al jaren niet meer heeft gebruikt.
Aisha neemt op. Haar stem is voorzichtig, afgemeten.
“Het is Khaled,” zegt hij. “Ik moet iets weten. Iets ouds.”
Er valt een stilte. Dan een zucht.
“Ik kan niets beloven,” zegt ze. “Maar ik kijk.”
“Wanneer?” vraagt Zahir scherp.
“Morgen,” zegt Aisha. “Bel me niet meer. Ik bel jou.”
De verbinding wordt verbroken.
Zahir blijft zitten, roerloos.
Voor het eerst sinds zijn ontsnapping heeft hij een richting.
En dat maakt hem gevaarlijker dan paniek ooit deed.
⸻
Op het politiebureau loopt Huub heen en weer door de briefingruimte.
Het whiteboard staat vol, maar zegt niets.
“Dit had niet mogen gebeuren,” zegt hij tegen niemand in het bijzonder. “Niet zo.”
Harry zit aan tafel en zwijgt.
Huub stopt met lopen.
“Diensten werken langs elkaar heen. Niet samen. Iedereen bewaakt zijn eigen terrein.”
Hij balt zijn vuist.
“En Van Dijk wilde geen prioriteit. Geen ruimte. Geen vertrouwen.”
Harry kijkt op.
“Ga je dat zeggen?”
Huub knikt.
“Ja. En nog meer.”
Hij weet dat het niets verandert.
Maar zwijgen verandert nog minder.
⸻
In een vergaderruimte elders is de toon anders.
Peter Jansma staat.
Niet zit. Staat.
“Dit is onacceptabel,” zegt hij scherp. “Niet het incident — de reactie.”
Stoelen kraken. Niemand onderbreekt hem.
“We hadden signalen. We hadden dreiging. En toch liep het uit de hand.”
Hij kijkt zijn team één voor één aan.
“Wie dacht dat dit onder ‘internationaal’ viel en dus niet ons probleem was?”
Niemand antwoordt.
“Wie dacht dat bestuurlijke druk een reden was om tempo te minderen?”
Nog steeds stilte.
Peter buigt zich voorover, zijn handen plat op tafel.
“Dit is waar falen ontstaat. Niet bij één fout. Maar bij tien kleine besluiten.”
Hij recht zich.
“Dat gebeurt ons niet nog een keer.”
⸻
In Spanje opent Lou een raam.
Avondlucht. Warm. Stil.
Fay praat in de keuken. Rosa slaapt.
Lou weet nog van niets.
Niet van de plannen.
Niet van de woede.
Niet van de richting die iemand heeft gekozen.
Ze staat even stil, sluit haar ogen en denkt dat ze eindelijk kan ademen.
Maar sommige ademteugen zijn geleend.
DEEL 41 — There Is a Rat
De tuin ligt in de middagzon.
Stof, grind, terracotta potten. Een oude cactus die al jaren scheef staat alsof hij ooit wilde vertrekken maar het niet heeft gedaan.
Lou staat midden in het gras met Rosa aan haar voeten.
Om haar heen vijf andere honden — groot, klein, nerveus, luidruchtig. Staarten zwiepen, neuzen laag bij de grond.
“Daar,” zegt haar zus ergens achter haar. “Bij de cactus.”
Een rat.
Of in elk geval: iets wat te snel beweegt om genegeerd te worden.
De honden slaan aan. Blaffen. Rennen in cirkels.
Lou lacht hardop, onverwacht vrij.
En dan begint ze te zingen.
Zacht eerst. Dan iets harder.
🎵 There is a rat in mi cactus… 🎵
Op de melodie van UB40.
Fout. Bewust fout.
Haar zus schudt haar hoofd, lachend.
Rosa blaft mee alsof ze begrijpt dat dit geen gevaar is, maar spel.
Voor een paar seconden bestaat de wereld alleen uit zon, honden en een slechte grap.
⸻
Dan trilt haar telefoon.
Het geluid snijdt dwars door het moment heen.
Op het oplichtende scherm:
Huub Draadman
Lou voelt het meteen. Dat kleine samentrekken net onder haar ribben.
Ze swipet.
“Ja?”
“Lou,” zegt Huub. Zijn stem is laag, serieus. “Ik weet niet of je het al hebt gelezen.”
“Gelezen?” vraagt ze. “Wat?”
Er valt een korte stilte.
Niet uit aarzeling — uit voorzichtigheid.
“Zahir is ontsnapt,” zegt Huub. “Vraag me niet hoe. Dat hoor je later wel. Maar ik vrees om je veiligheid.”
De tuin lijkt plots stiller. Zelfs de honden houden even op.
“Ontsnapt?” herhaalt Lou.
“Ja,” zegt Huub. “Hou je ogen goed open. Als er iets is — iets wat niet klopt — bel meteen de Guardia Civil. En mij.”
Lou kijkt naar Rosa. Naar de cactus. Naar de zon die nergens van weet.
“Oké,” zegt ze zacht. “Ik doe het.”
“Blijf niet alleen,” zegt Huub nog. “En onderschat dit niet.”
De verbinding verbreekt.
Lou laat haar telefoon langzaam zakken.
De honden zijn weer begonnen met rennen. De rat is verdwenen. Of misschien was hij er nooit echt.
🎵 There is a rat in mi cactus… 🎵
Ze zingt het niet meer mee.
De zon staat nog steeds hoog.
Maar de tuin voelt ineens kleiner.
DEEL 42 — Het huis dat nog ademt
De telefoon van Khaled trilt kort, bijna onopvallend.
Hij neemt niet meteen op. Kijkt eerst om zich heen, alsof muren kunnen luisteren.
“Aisha,” zegt hij uiteindelijk.
Haar stem is laag, zakelijk. Geen omhaal.
“Ik heb het adres.”
Er volgt een korte stilte. Dan schuift Khaled zijn stoel naar achteren en kijkt naar Zahir, die roerloos bij het raam staat.
“Scheveningen,” zegt Khaled tegen hem. “Bovenwoning. Op haar naam.”
Zahir knikt langzaam.
“Dat is voorlopig de beste plek,” zegt hij. “Niemand zoekt daar. Niet meer.”
Youssef pakt zijn jas.
“Dan gaan we.”
⸻
De zee ruist dof in de verte als ze door Scheveningen rijden.
Grijze lucht. Nat asfalt. Toeristen zijn er nauwelijks. Alles voelt tijdelijk, alsof de wijk haar adem inhoudt.
De locksmith arriveert zonder vragen.
Een man met een busje, een jas met te veel zakken en een blik die geleerd heeft niet nieuwsgierig te zijn.
Het geluid van de boor is kort maar hard. Metaal dat zich gewonnen geeft.
Een nieuw slot. Sneller dan verwacht.
“Succes,” zegt de man, terwijl hij zijn gereedschap inpakt.
De deur sluit achter hen.
⸻
Het huis van M ruikt nog naar haar.
Niet naar parfum, maar naar leven: koffie, papier, stof, iets licht zuurs van vergeten planten.
Zahir blijft even staan.
Kijkt om zich heen alsof hij een toneel betreedt waar de hoofdrolspeelster net is weggegaan.
De meubels zijn degelijk. Niet luxe, niet arm.
Boekenkasten. Mappen. Een bank met een deken die te netjes is opgevouwen.
Hij opent kasten.
Schuift laden open, één voor één.
Papieren. Oude lesroosters. Enveloppen van de bank.
Notities in de kantlijn. Namen. Bedragen.
Hij leest niet alles. Hij scant. Zoekt patronen.
In een lade vindt hij een map. Zijn hand blijft er iets te lang op rusten.
“Hier,” mompelt hij.
Youssef kijkt mee. Zegt niets.
Dit huis is geen schuilplaats.
Het is een archief.
⸻
Aan de overkant van de straat staat de buurvrouw van Lou met haar boodschappentas.
Ze ziet het busje. De man bij de deur. Het nieuwe slot.
“Komt er iemand wonen?” vraagt ze achteloos, meer tegen de lucht dan tegen de locksmith.
“Eigenaar,” zegt hij kort. “Familie.”
Ze knikt.
Denkt aan Lou. Aan stilte. Aan hoe snel dingen wisselen.
⸻
In Spanje tikt de regen tegen het raam.
Lou ligt op bed en staart naar het plafond.
De tuin die ze had willen aanpakken — onkruid, snoeien, plannen — voelt ineens absurd ver weg.
Aan de eettafel later die middag schuiven ze stoelen bij elkaar.
Fay, haar zus, dampende mokken thee.
“Vega kerst,” zegt haar zus opgewekt. “Ik dacht linzen-wellington.”
“En geroosterde bloemkool,” zegt Fay. “Met tahin.”
Lou knikt.
“En die Pakistaanse vrienden van jou komen ook toch?”
“Ja,” zegt haar zus. “Lief stel. Eten geen vlees, dus dat scheelt.”
Lou glimlacht flauwtjes.
Ze probeert zich vast te houden aan recepten, lijstjes, structuur.
Buiten regent het harder.
⸻
Op het bureau in Den Haag staat Huub recht tegenover Van Dijk.
“Dit kan zo niet,” zegt Huub. “Dit is groter dan wij. Groter dan jij.”
Van Dijk zucht, vermoeid.
“We hebben protocollen.”
“En die hebben gefaald,” zegt Huub. “Zahir is ontsnapt. Er zijn doden. En we lopen achter de feiten aan.”
Een lange stilte.
Dan:
“Bel de AIVD,” zegt Van Dijk uiteindelijk. “Maar als dit misgaat—”
“Dan gaat het al mis,” zegt Huub. “En dat weet je.”
Buiten wordt het donker.
Binnen worden lijnen opengezet die te lang gesloten zijn gebleven.
DEEL 43 — Sporen op papier
Zahir zit aan de eettafel van M.
Niet haastig, niet zenuwachtig. De map ligt open voor hem, alsof hij er al dagen ligt.
Beoordelingsformulieren.
Papier ruist zacht onder zijn vingers terwijl hij bladzijdes omslaat. Namen, data, handtekeningen. En dan — Lou.
Hij leest langzaam. Zorgvuldig.
Zinnen die ooit bedoeld waren voor een HR-dossier, nu geladen met iets anders.
“Samenwerking moeizaam.”
“Conflicten escaleren, sfeer binnen het team onder druk.”
“Aanbevolen: begeleid traject om beter om te gaan met verantwoordelijkheden en hiërarchische verhoudingen.”
Zijn mondhoek trekt nauwelijks zichtbaar omhoog.
Hij leest de opmerkingen van Ewald. De zakelijke toon. De afstand.
Hoe woorden kunnen snijden zonder bloed te laten zien.
Hij slaat het dossier dicht en leunt achterover.
Dit is geen toeval, denkt hij. Dit is een keten.
⸻
Later ligt hij in het bed van M.
Het voelt ongepast en tegelijk onvermijdelijk.
Hij draait zich op zijn zij, pakt het kussen en drukt het tegen zijn gezicht.
Het ruikt naar haar.
Niet scherp. Niet zoet. Iets tussen wasmiddel en huid.
Zijn ogen sluiten zich.
Hij ziet haar weer op het dak. Wind. Beton. Haar stem, gespannen maar vastberaden.
Hij wil iets zeggen, maar zijn mond blijft gesloten.
Zij kijkt niet naar hem, maar langs hem heen.
De droom vervaagt.
Hij zakt weg, dieper, rustelozer dan slaap zou moeten zijn.
⸻
Van Dijk staat bij het raam wanneer hij Peter Jansma belt.
“Peter,” zegt hij zonder omweg. “We hebben een probleem.”
Aan de andere kant blijft het even stil.
Dan: “Dat weet ik.”
Van Dijk draait zich om, kijkt naar het bord met foto’s en lijnen.
“Zahir is ontsnapt. En wij missen iets. Context. Verbindingen.”
“Dat dacht ik al,” zegt Peter. “Wat wil je?”
“Samenwerking,” zegt Van Dijk. “Echt dit keer. Geen eilandjes meer.”
Peter ademt hoorbaar uit.
“Stuur alles wat je hebt. Wij doen hetzelfde.”
Het gesprek eindigt zonder beloftes.
Maar ook zonder afwijzing.
⸻
De trein vertrekt uit Rotterdam terwijl de avond valt.
Youssef en Khaled zitten zwijgend naast elkaar.
Geen oogcontact. Geen telefoons.
Het landschap glijdt voorbij: industrie, flats, donker wordende velden.
Grenzen zijn hier onzichtbaar, maar voelbaar.
“Tot Molenbeek,” zegt Khaled zacht.
Youssef knikt.
Dit is bekend terrein. Netwerken, schaduwen, oude contacten.
Ze stappen uit alsof ze nooit weg zijn geweest.
⸻
In Spanje geurt de keuken naar bouillon en specerijen.
Lou roert in de pan terwijl Fay de kip uit elkaar trekt.
“Soto ayam,” zegt Lou. “Mijn oma maakte dit altijd als iemand ziek was.”
“Indo roots,” zegt Fay glimlachend. “Die vergeet je nooit.”
Lou knikt.
“Het is troosteten. Warm. Veilig.”
Haar zus komt binnen, wrijft over haar armen.
“Ik voel me wat rillerig,” zegt ze. “Denk dat ik iets onder de leden heb.”
Lou kijkt bezorgd.
“Ga zitten. Ik schep zo op.”
Ze zet kommen op tafel. Stoom stijgt op.
Even is er alleen eten. Gelach. Huiselijkheid.
Maar onder de geur van soep ligt iets anders.
Een onrust die niet wil verdwijnen.
DEEL 44 — Kerstavond
Het bureau is stiller dan normaal.
Bijna kerst. Dat voel je niet aan de warmte, maar aan de leegte. Minder stemmen op de gang, minder telefoons die rinkelen, halflege bureaus met kerstkaartjes die scheef tegen beeldschermen staan.
Huub zit al sinds vroeg achter zijn bureau. Jas nog aan. Koffie koud geworden.
Hij heeft gebeld, gemaild, opnieuw gebeld. Aangedrongen. Niet gesmeekt, nooit dat — maar wel volhardend.
Rond half drie, op kerstavond, komt het bericht:
Ze zijn onderweg.
Huub staat op en kijkt even uit het raam.
Grijze lucht. Nat asfalt. December op zijn somberst.
⸻
De vergaderruimte vult zich langzaam.
Peter Jansma komt als eerste binnen. Donkere jas, map onder zijn arm, gezicht strak.
Van Dijk volgt, zichtbaar gespannen.
Harry sluit aan met twee bekers koffie, alsof hij iets huiselijks wil redden aan dit moment.
De deur valt dicht.
“Goed,” zegt Jansma zonder omhaal. “We moeten dit scherp krijgen. Wat is er gebeurd — en wat hebben we gemist.”
Hij schuift foto’s en rapporten over tafel.
De uitgebrande vluchtauto. Camerabeelden. Bewegingspatronen.
“De auto is gevonden,” zegt hij. “In de buurt van Rotterdam. In brand gestoken. Professioneel. Sporen uitgewist.”
Huub knikt langzaam.
Van Dijk zegt niets.
“Wij hebben sterke aanwijzingen,” vervolgt Jansma, “dat dit werk is van een cel uit Molenbeek. Geen lone wolves. Dit was voorbereid. Verkenning, timing, dekking via de demonstratie.”
Harry fluit zacht.
“Dat verklaart de precisie.”
“Ja,” zegt Jansma. “En het verklaart waarom Zahir nu weg is.”
Even is het stil.
Dan: “We willen spreken met Lou,” zegt Jansma plots. “En met A.”
Huub voelt iets samentrekken in zijn borst.
“Lou?” zegt hij neutraal. “Waarom Lou?”
“Omdat zij centraal staat in meerdere dossiers,” antwoordt Jansma. “Contacten. Conflicten. Mogelijke motieven. En omdat ze… onvindbaar is.”
Huub zegt niets.
Hij kijkt naar zijn handen.
Van Dijk fronst.
“Onvindbaar?”
“Ze is van de radar,” zegt Jansma. “Geen vaste verblijfplaats, geen recente pintransacties, telefoon uit. Dat maakt haar interessant.”
Huub slikt.
Hij zegt niet dat Lou in Spanje zit.
Zegt niet dat ze veilig dacht te zijn.
Zegt niets.
“Daarom,” gaat Jansma verder, “stel ik voor om een internationaal opsporingsbevel voor haar uit te vaardigen. Tijdelijk. Om haar te lokaliseren.”
Harry schiet overeind.
“Wacht even — Lou is geen verdachte.”
“Dat bepalen wij niet hier,” zegt Jansma koel. “Wij bepalen risico’s.”
Huub voelt woede opkomen, maar houdt zijn stem laag.
“Een opsporingsbevel is disproportioneel.”
“Niet als iemand verdwijnt in een zaak met terroristische dimensies,” antwoordt Jansma.
Van Dijk kijkt van Huub naar Jansma.
Twijfel. Druk. Angst voor fouten.
“We nemen dit mee,” zegt hij uiteindelijk. “Maar dit besluit nemen we niet vandaag.”
Jansma knikt, maar zijn ogen blijven hard.
“De tijd werkt tegen ons.”
⸻
Als de vergadering uiteenvalt, blijft Huub even zitten.
Harry staat bij de deur.
“Zeg,” begint hij voorzichtig, “ik wilde het nog hebben over kerst. Ik zou eigenlijk—”
Huub kijkt op.
“Je gaat niet,” zegt hij.
Harry zucht.
“Dat dacht ik al.”
“Het spijt me,” zegt Huub. En meent het. “Maar dit stopt niet omdat het kerst is.”
Harry knikt langzaam.
“Dan bestel ik morgen Chinees,” zegt hij schamper. “Zoals altijd als de wereld in brand staat.”
Huub glimlacht flauwtjes.
Buiten begint het te schemeren.
Kerstlampjes gaan aan, ergens verderop in de stad.
Maar hier — hier is geen licht. Alleen werk.
DEEL 45 — De bovenwoning
Zahir woont inmiddels in de bovenwoning van M.
De trap kraakt op dezelfde plekken als altijd, maar hij hoort het niet meer. Hij kent de route inmiddels blind: sleutel omdraaien, deur dicht, gordijnen half. Hij weet niet dat Lou onder hem woont. Evenmin weet Lou dat boven haar hoofd de beul van Raqqa zijn dagen slijt.
Het appartement ruikt nog naar M.
Wasverzachter, iets bloemigs, vermengd met oud hout en radiatorwarmte. Zahir stoort zich eraan, maar het geeft ook een vreemd gevoel van beschutting. Alsof de muren hem beschermen.
Tegen het einde van de middag belt hij Youssef. Zijn stem is laag, gejaagd.
“Ik kan niet naar buiten,” zegt hij. “Niet vandaag. Niet nu.”
“Wat heb je nodig?” vraagt Youssef.
“Eten. Halal. Simpel. Voor een paar dagen.”
Youssef denkt kort na en zegt dan: “Ik regel het.”
Hij belt Abdullah. Die neemt vrijwel direct op. Abdullah werkt als bezorger bij Albert Heijn, flexibel contract, veel uren deze week — kerstdrukte. Youssef geeft hem de lijst door: rijst, kip, linzen, dadels, brood, thee. Niets opvallends.
“Doe jij de picking zelf?” vraagt Youssef.
“Ja,” zegt Abdullah. “Komt goed.”
Een uur later loopt Abdullah door het distributiepunt. Hij scant de producten één voor één, zorgvuldig, alsof hij een persoonlijke boodschap samenstelt. De blauwe bestelwagen met het AH-logo staat al klaar. Hij laadt de kratten in, sluit de deuren en rijdt weg.
Het adres staat gewoon op zijn handheld.
Een straat in Scheveningen. Niets bijzonders.
Wanneer hij stopt, ziet hij een rustige woonwijk. Gordijnen dicht, kerstlichtjes achter ramen. Abdullah belt aan bij de juiste deur. Zahir opent niet; hij laat de boodschappen voor de deur zetten. Abdullah kijkt even om zich heen, haalt zijn schouders op en vertrekt.
Aan de overkant zit de buurvrouw aan haar eettafel.
Ze kijkt toevallig door het voorraam en ziet de blauwe wagen wegrijden.
“Goh,” mompelt ze. “Zelfs op eerste kerstdag bezorgen ze.”
Ze schenkt er verder geen aandacht aan.
⸻
Na het achtuurjournaal blijft de televisie aan.
Zahir zit op de bank, eet langzaam, zonder smaak. Hij wil achtergrondgeluid. Iets normaals.
Op de buis verschijnt het herkenbare logo: Opsporing Verzocht — Kerstspecial.
Hij vloekt zacht, maar zappt niet weg. Te laat.
De buurvrouw beneden ook niet. Die wacht op All You Need Is Love, zoals ieder jaar.
Het derde item begint.
“De politie Haaglanden vraagt uw medewerking bij de opsporing van—”
Zahir verstijft.
“…Zahir M.”
Een foto verschijnt in beeld.
Oud. Volle bos haar. Zware baard. Ogen hard maar jonger.
Zahir leunt achterover.
“Dat ben ik niet meer,” fluistert hij. Hij raakt onbewust zijn kale slapen aan, de stoppels die hij strak houdt. Hij lijkt op niemand uit die foto.
Dan verandert het beeld.
Een nieuwe foto.
Lou.
De buurvrouw schrikt zichtbaar en gaat rechter zitten.
“…Daarnaast is de politie dringend op zoek naar informatie over de verblijfplaats van Lou S.,” zegt de stem. “Zij wordt gezien als een belangrijke getuige in deze zaak. Mocht u haar gezien hebben of weten waar zij verblijft, neemt u dan contact op.”
De buurvrouw legt haar hand op haar borst.
“Lou?” fluistert ze. “Maar die woont hier toch…”
Ze kijkt richting het plafond.
Dan naar de voordeur.
Dan weer naar de televisie.
Boven voelt Zahir een steek.
Niet paniek — iets anders. Iets alert. Iets dat hem wakker maakt.
Lou.
Onder hem.
⸻
Huub zit nog op het bureau als zijn telefoon gaat.
Harry.
“Huub,” zegt hij zonder omhaal. “Heb je Opsporing Verzocht gezien?”
Huub voelt zijn kaak verkrampen.
“Wat?”
“Ze hebben Zahir uitgezonden,” zegt Harry. “En Lou. Met naam en foto.”
Huub springt overeind.
“Wat? Dat hebben we niet afgesproken!”
“Ik weet het,” zegt Harry. “Maar het is gebeurd. Live. Kerstspecial.”
Huub balt zijn vuist.
“Dit is levensgevaarlijk,” sist hij. “Ze zetten haar in het volle licht.”
“Wat doen we?” vraagt Harry.
Huub staart naar het raam, naar de kerstverlichting buiten die plots grotesk aanvoelt.
“We gaan ervan uit,” zegt hij langzaam, “dat alles nu versnelt.”
En diep vanbinnen weet hij, ze zijn te laat.
DEEL 46 — De stilte na het licht
De buurvrouw aarzelt voordat ze belt.
Ze staat nog steeds bij het raam, de televisie zachtjes pratend op de achtergrond. De foto van Lou staat op haar netvlies gebrand. Belangrijke getuige, had de stem gezegd. Opsporing verzocht.
Ze pakt haar telefoon, zoekt Lou’s naam en drukt op bellen.
In Spanje zit Lou aan de keukentafel met een kop thee die al lang koud is. Het regent zachtjes tegen de ramen. Fay zit tegenover haar met haar laptop, haar zus ligt boven met verhoging onder haar hoofd.
Het scherm licht op.
Buuf.
“Hallo?” zegt Lou.
“Lou…,” begint de buurvrouw, haar stem iets te hoog. “Je moet even goed luisteren.”
Lou voelt het meteen. Dat vreemde, scherpe gevoel onder haar borstbeen.
“Wat is er?”
“Ik heb net Opsporing Verzocht gezien. Ze hebben jou uitgezonden. Met foto. Ze zeiden dat er een opsporingsbevel is. Dat mensen tips moeten doorgeven als ze weten waar je bent.”
Het blijft een paar seconden stil.
“Wat?” zegt Lou uiteindelijk. “Dat kan niet. Ik heb niks gedaan.”
“Ik weet het,” zegt de buurvrouw snel. “Maar ik wilde dat je het van mij hoorde. Niet schrikken, hoor, maar… ik dacht, je moet dit weten.”
Lou knijpt haar ogen dicht. Fay kijkt op, ziet haar gezicht en weet genoeg.
“Dank je,” zegt Lou zacht. “Echt. Dank je dat je belt.”
Als ze ophangt, trilt haar hand.
Nog geen tien minuten later gaat haar telefoon opnieuw.
Huub Draadman.
Ze neemt direct op.
“Lou,” zegt Huub. Zijn stem klinkt strak, gecontroleerd, maar ze hoort de woede eronder. “Het spijt me. Dit is volledig uit de hand gelopen.”
“Ze hebben me uitgezonden,” zegt Lou. Het klinkt bijna alsof ze het over iemand anders heeft.
“Ik weet het,” zegt Huub. “Tijdens de meeting met de AIVD is besloten om druk te zetten. Jansma heeft dit doorgedrukt. Ik heb ertegen geprotesteerd, maar—”
“Ze hebben mijn gezicht laten zien,” onderbreekt Lou hem. “Op tv.”
“Ja,” zegt Huub. “En dat had niet mogen gebeuren zonder jou te informeren. Ze willen beweging forceren. Zahir dwingen fouten te maken.”
Lou lacht kort, zonder humor.
“En ik dan?”
Huub zwijgt even.
“Jij moet blijven waar je bent,” zegt hij dan. “Niet reizen. Niet naar buiten. Dit moet ik oplossen, maar dat kost tijd. Een paar dagen. Misschien langer.”
Lou slikt.
“Huub… ik wil hier niet bij betrokken zijn.”
“Ik weet het,” zegt hij. “En dat had je ook niet moeten zijn.”
Ze hangen op zonder groet. Er valt een stilte die zwaar in de kamer blijft hangen.
Fay schuift haar stoel naar achteren en gaat naast haar zitten.
“Wat nu?” vraagt ze.
Lou haalt haar schouders op.
“Nu niets,” zegt ze. “Dat is misschien wel het ergste.”
⸻
De volgende ochtend ligt de krant op de tafel in de hotelbar waar Huub een espresso drinkt. De kop staat vet gedrukt:
ONTSTEKER AANGETROFFEN IN AZC SOZA — EOD GRIJPT IN
Hij leest.
In de vroege ochtend heeft de Explosieven Opruimingsdienst een ontsteker onschadelijk gemaakt die werd aangetroffen in het Soza-gebouw in Den Haag. Het gebouw werd tijdelijk ontruimd. Er zijn geen gewonden gevallen.
Huub leest verder, zijn kaken gespannen.
Een oudere Syrische man is door de politie afgevoerd voor verhoor. Het is nog onduidelijk of er sprake was van een daadwerkelijk explosief of een poging tot intimidatie.
Hij vouwt de krant langzaam dicht.
Soza.
Abbas.
De koffie smaakt bitter.
Dit is geen toeval, denkt Huub. Dit is escalatie. Ruis. Afleiding. Druk op alle fronten.
Hij pakt zijn telefoon en typt een bericht dat hij weer wist.
Blijf binnen. Geen contact met niemand. Ik hou je op de hoogte.
Aan de andere kant van Europa staart Lou naar haar scherm voordat ze antwoordt.
Oké.
Maar ze weet:
er is niets oké meer.
DEEL 47 — Onder en boven
Zahir bevriest midden in de kamer.
Het is laat. Buiten hangt een doffe stilte over de straat, zo’n stilte die alleen bestaat vlak voor kerst, wanneer mensen binnen zijn en de wereld even lijkt te pauzeren. In de bovenwoning brandt slechts één lamp. Zahir zit op de rand van het bed van M, zijn jas nog aan, zijn schoenen uit maar binnen handbereik.
Dan hoort hij het.
Gestommel.
Niet boven hem.
Onder hem.
Hij kantelt zijn hoofd, houdt zijn adem in. Het geluid komt van beneden, gedempt maar duidelijk: voetstappen, een stoel die verschuift, iets dat tegen een muur tikt. Geen televisie. Geen muziek. Alleen beweging.
Zijn hartslag versnelt.
Lou, denkt hij.
De naam glijdt onverwacht door zijn hoofd, als een herinnering die hij niet bewust heeft opgeroepen.
Hij loopt zacht naar het raam en kijkt naar beneden, maar ziet niets. De gordijnen in de woning onder hem zijn half gesloten. Er brandt licht. Warm licht.
Zahir trekt zich terug van het raam, zijn schouders gespannen. Hij kent dit huis inmiddels. Kent de krakende vloerplanken, de geur van oud hout en stof, de manier waarop geluid zich verplaatst door het trappenhuis.
Hij weet nu zeker:
hij is niet alleen in dit pand.
⸻
Hoog boven de wolken, in een Boeing 737, drukt Lou haar voorhoofd tegen het kleine raam.
Onder haar ligt Europa als een bevroren kaart. Velden en wegen verdwijnen onder een dunne laag sneeuw. Het wit reflecteert het zwakke ochtendlicht, alsof de wereld zichzelf opnieuw probeert te tekenen.
Ze ademt langzaam uit.
Dit is fout, denkt ze.
Maar blijven voelde ook fout.
Naast haar ligt Rosa’s lege riem in haar tas. Fay zou haar ophalen. Rosa moeten we ophalen!!! had ze nog gestuurd zodra het toestel de landing had ingezet.
De wielen raken de baan. Een schok, een dreun. Mensen klappen. Lou niet.
Ze wacht. Te ongeduldig. Haar knieën bewegen al voordat het toestel stilstaat. Zodra het lampje uitgaat, staat ze op, haar jas half dicht, haar tas al over haar schouder.
Voor haar prutsen mensen met koffers, jassen, sjaals. Het duurt te lang. Altijd duurt het te lang.
Dan opent de deur.
De koude slurf blaast haar tegemoet. Nederlandse kou. Scherper dan Spanje, harder, eerlijker. Ze zet een stap naar voren—
En ziet ze.
Twee marechaussees. Donkerblauw. Rechtop. Onbewogen.
De oudste kijkt op zijn lijst, dan naar haar gezicht.
“Mevrouw Lou S.?” vraagt hij.
Haar maag trekt samen.
“Ja,” zegt ze automatisch.
“Wilt u even met ons meekomen?” zegt hij. Beleefd. Zakelijk.
“Waarom?” vraagt ze, al wetend dat het antwoord haar niet gerust zal stellen.
“U bent aangehouden,” zegt hij. “Dat lichten we zo verder toe.”
De wereld kantelt een fractie.
Mensen lopen langs haar. Koffers rollen. Iemand lacht. Iemand vloekt. Het gewone leven dendert door terwijl zij stilstaat, gevangen tussen lucht en aarde.
“Mijn dochter staat te wachten,” zegt Lou. “En mijn hond—”
“Dat komt later,” zegt de marechaussee. Niet onvriendelijk. Onwrikbaar.
Ze draait zich nog één keer om, alsof Fay haar ergens kan zien, alsof Rosa haar ruikt door beton en glas heen.
Dan loopt ze mee, de slurf uit, de warmte van het toestel achter zich latend, de kou van iets onomkeerbaars tegemoet?
DEEL 48 — Onderzoek
Lou
Het detentiecentrum ruikt naar schoonmaakmiddel en oude angst.
Lou staat met haar handen tegen de muur terwijl een vrouwelijke bewaarder haar systematisch aftast. Zak voor zak. Naden. Schoenzolen. Haar jas verdwijnt in een plastic bak, haar tas ook. Alles wat haar nog verbond met de buitenwereld wordt genummerd, gelabeld, weggezet.
“Armen omhoog.”
Ze gehoorzaamt. Het voelt vernederend en onwerkelijk tegelijk, alsof dit iemand anders overkomt. Haar haar wordt gecontroleerd, haar schoenen verdwijnen. Ze krijgt slippers, een dunne trui, een broek die net niet past.
De cel is klein. Beton. Een smal bed met een matras dat naar plastic ruikt. Een toilet zonder bril. Een raam hoog, te hoog om doorheen te kijken. Alleen licht, geen uitzicht.
Ze gaat zitten, handen in haar schoot.
Ik heb niets gedaan, denkt ze.
Maar gedachten zijn hier niets waard.
De nacht is lang. Elk geluid wordt groter: sleutels, stemmen, een deur verderop. Ze slaapt nauwelijks.
⸻
De volgende ochtend wordt ze opgehaald.
“Verhoor,” zegt iemand.
In de ruimte zit Peter Jansma al. Onberispelijk pak, map voor zich, pen precies recht. Naast hem een vrouw van middelbare leeftijd, rustig, observerend. De criminoloog.
“Mevrouw S,” zegt Jansma. “Dank dat u meewerkt.”
Lou knikt. Haar keel is droog.
“Waarom bent u gevlucht?” vraagt hij direct.
“Ik ben niet gevlucht,” zegt Lou. “Ik ben weggegaan omdat u mij dat adviseerde. Omdat ik gevaar liep.”
“Van wie?” vraagt de criminoloog zacht.
“Van Zahir,” zegt Lou. “En van wat er allemaal niet werd uitgesproken.”
Jansma bladert.
“U had een conflict met M.”
“Ja,” zegt Lou. “Maar dat had half het gebouw.”
“U was op het dak,” zegt hij.
“Ja.”
“Zij is gevallen.”
Lou sluit even haar ogen.
“Zij is uitgegleden,” zegt ze. “Ik heb haar niet aangeraakt. Ik was boos, ja. Bang ook. Maar ik heb haar niet geduwd.”
De criminoloog leunt iets naar voren.
“Waarom bent u daarna blijven zwijgen?”
“Omdat niemand wilde luisteren,” zegt Lou. “Omdat ik al had gezien wat er gebeurde als je iets zei.”
Jansma kijkt haar lang aan.
“U begrijpt dat we alles moeten uitsluiten.”
“Ik begrijp het,” zegt Lou. “Maar ik ben geen dader. Ik ben een schakel die te veel heeft gezien.”
Er valt een stilte.
Een waarin niets wordt toegegeven, maar ook niets wordt losgelaten.
⸻
Zahir
Boven in de woning staat Zahir opnieuw stil.
Dit keer is het geluid anders.
Een hond.
Het zachte tikken van nagels op de vloer. Een riem. Een deur die opengaat. Hij kijkt door het raam en ziet haar: een jonge vrouw, donker haar, haastig, met een hond aan haar zijde.
Niet Lou.
Hij ademt langzaam uit. Toch blijft zijn lichaam gespannen. Hij weet nu zeker: de woning onder hem is bewoond. Het leven beweegt zich vlak onder zijn voeten, nietsvermoedend.
Hij trekt zich terug in de schaduw van de kamer.
⸻
Huub
Huub zit achter zijn bureau als het rapport binnenkomt.
SOZA — INCIDENTRAPPORT
Hij leest elk woord. Nog een keer. Langzaam.
Een ontsteker. Geen volledig explosief. Oud model. Vakkundig verborgen.
Een oudere Syrische man afgevoerd.
Geen directe link vastgesteld. Nog niet.
Huub legt het rapport neer en wrijft in zijn ogen.
Dit is geen toeval, denkt hij.
Dit is een boodschap.
Te veel losse eindjes. Te veel mensen die nét buiten beeld blijven. Hij denkt aan Lou. Aan Abbas. Aan Zahir. Aan de manier waarop alles steeds net langs elkaar schuurt zonder samen te vallen.
“Dit is groter,” mompelt hij. “En we lopen achter.”
Hij pakt zijn telefoon.
Dit keer belt hij niet Lou.
Dit keer belt hij hoger.
DEEL 49 — Drukpunten
Lou
De deur valt dicht met een doffe klik die te hard klinkt voor zo’n kleine ruimte.
Lou staat weer in haar cel.
Het verhoor zit nog in haar lichaam: de vragen, de stiltes, de manier waarop woorden werden gewogen alsof ze wapens waren. Ze gaat op het bed zitten, trekt haar knieën op en slaat haar armen eromheen. Het licht blijft aan. Altijd aan. Alsof slapen hier niet wordt aangemoedigd.
Ze denkt aan Fay.
Aan Rosa.
Aan het idee dat haar leven buiten deze muren doorgaat zonder haar.
Onmisbaar, had ze ooit tegen een cursist gezegd. Iedereen is onmisbaar.
Ze sluit haar ogen, maar rust komt niet.
⸻
Huub
Huub staat in zijn kantoor, telefoon tegen zijn oor gedrukt, zijn vrije hand rusteloos in zijn haar.
“Dit slaat nergens op, Peter,” zegt hij scherp. “Je houdt een lerares vast alsof ze een staatsgevaar is.”
Aan de andere kant blijft Jansma kalm. Te kalm.
“Ze is een sleutelpersoon,” zegt hij. “Of je dat nu leuk vindt of niet.”
“Ze heeft niets gedaan,” zegt Huub. “Ze is gevlucht omdat wij haar hebben gezegd dat ze gevaar liep.”
“En juist dat maakt haar relevant,” antwoordt Jansma. “Zahir heeft een obsessie. Mensen rond M zijn niet zomaar bijzaak.”
Huub balt zijn vuist.
“Je gebruikt haar als lokaas.”
“Wij beschermen de staat,” zegt Jansma koel. “Niet individuele gevoelens.”
“Ze is geen pion,” bijt Huub terug. “En ik accepteer dit niet. Ik ga hoger. Ik ga naar de commissie, naar de pers als het moet.”
“Doe wat je niet laten kunt,” zegt Jansma. “Maar zolang het dreigingsniveau dit vereist, blijft ze vast.”
De lijn is dood.
Huub kijkt naar zijn telefoon alsof die hem persoonlijk heeft verraden.
Dit laat hij niet liggen. Nooit.
⸻
Jansma
Een uur later zit Peter Jansma aan het hoofd van de vergadertafel. Grote kaart aan de muur. Namen, lijnen, pijlen. De sfeer is strak.
“Waar staan we?” vraagt hij.
Een analist schuift een dossier naar voren.
“De ontsteker in Soza is geen amateurwerk. Oud, maar doelbewust geplaatst. Waarschijnlijk signaalfunctie. Geen directe claim.”
“Wie had toegang?” vraagt Jansma.
“Bewoners. Oud personeel. Bezoekers.”
Jansma tikt met zijn pen.
“Het gaat niet om ontploffen,” zegt hij. “Het gaat om angst. Om ruis. Iemand wil dat wij reageren.”
Hij kijkt de tafel rond.
“En zolang Zahir vrij is, is niemand die aan M gelinkt is buiten beeld.”
Niemand spreekt tegen.
⸻
Zahir
In de bovenwoning trilt Zahir’s telefoon.
Een onbekend nummer. Hij aarzelt, neemt dan op.
“Zahir,” zegt Youssef zacht. Zijn stem klinkt anders. Gespannen.
“Wat is er?” vraagt Zahir.
“Het plan verschuift,” zegt Youssef. “Er wordt gesproken over iets groters. Iets wat iedereen voelt.”
“Wat bedoel je?” vraagt Zahir.
“Een elektriciteitscentrale,” zegt Youssef. “Niet vandaag. Maar binnenkort. Symbolisch. Donkerte.”
Zahir zegt niets. Zijn blik glijdt naar het raam, naar de straat beneden waar nietsvermoedend licht brandt.
“Dit is niet mijn strijd,” zegt hij uiteindelijk.
“Het is jouw naam,” antwoordt Youssef. “En jouw verleden.”
De lijn verbreekt.
Zahir blijft staan, de telefoon nog in zijn hand. Voor het eerst sinds lange tijd voelt hij iets wat hij niet kent, twijfel.
DEEL 50 — Donkerte
Youssef
De lijn is beveiligd.
Niet omdat hij weet hoe het technisch werkt, maar omdat iemand anders hem heeft verzekerd dat dit zo is. Youssef luistert meer dan hij spreekt. Korte zinnen. Geen namen. Geen adressen. Alleen richting en tijd, abstract gehouden, alsof vaagheid bescherming biedt.
Hij knikt, ook al kan niemand dat zien.
“Begrepen,” zegt hij uiteindelijk. “Hij krijgt het door.”
Buiten ligt sneeuw. Nat, grijs, zwaar. Het dempt geluid en beweging, maakt de stad trager. Youssef trekt zijn capuchon dieper over zijn hoofd en verdwijnt in de schemering. Hij weet waar hij moet zijn, niet omdat hij het begrijpt, maar omdat hij het eerder is gewezen. Een plek die geen aandacht trekt. Geen bordjes. Geen licht.
Hij buigt, tilt iets op dat verborgen lag, zorgvuldig verpakt. Geen details, geen nadenken. Alleen gewicht. Koude door zijn handschoenen heen. Ook het pistool voelt vreemd vertrouwd, alsof het nooit echt uit zijn leven is verdwenen.
Hij loopt terug zoals hij gekomen is. Langzaam. Ongezien. De sneeuw wist zijn sporen bijna meteen uit.
⸻
Lou
De verhoorkamer is dezelfde, maar voelt kleiner.
Peter Jansma zit tegenover haar. Zijn map is dikker nu. Meer papier, meer lagen, meer redenen om te blijven zitten.
“Mevrouw S,” zegt hij, “we moeten dit nog één keer doen.”
Lou’s ogen zijn rood. Ze heeft niet geslapen.
“U heeft alles al gevraagd,” zegt ze. “Ik heb alles gezegd.”
“Niet alles,” zegt Jansma. “Niet wat u voelt.”
Ze schudt haar hoofd.
“Dat doet er niet toe.”
“Voor ons wel.”
Ze buigt voorover.
“Ik smeek u,” zegt ze. Haar stem breekt niet, maar wordt dunner. “Laat me gaan. Ik ben geen gevaar. Ik ben geen onderdeel van dit alles.”
Jansma kijkt haar strak aan.
“Juist daarom blijft u,” zegt hij. “Totdat we zeker weten dat u geen doelwit meer bent.”
“U gebruikt mij,” zegt Lou. “Als drukmiddel.”
Hij zegt niets.
Dat is antwoord genoeg.
Als ze wordt teruggebracht naar haar cel, voelt ze iets knappen wat ze niet kan benoemen. Geen hysterie. Geen tranen. Alleen leegte.
⸻
Huub
Huub zit vast.
Letterlijk.
De snelweg is een stilstaand lint van rode lichten. Claxons. Mensen stappen uit hun auto’s om te kijken wat er is gebeurd. Niemand weet het. Iemand vloekt. Iemand belt. De radio praat over chaos, over gladheid, over incidenten die samenkomen tot iets groters.
Huub slaat met zijn hand tegen het stuur.
“Kom op,” mompelt hij.
Zijn telefoon trilt. Geen bereik. Dan weer wel. Dan weer niet.
Hij denkt aan Lou. Aan Jansma. Aan het gevoel dat alles uit elkaar schuift terwijl hij erin vastzit, machteloos, omringd door staal en uitlaatgassen.
Dit gaat mis, denkt hij.
Dit gaat vandaag mis.
⸻
Fay
Fay staat bij de buurvrouw aan de keukentafel. Er staat thee. Onaangeroerd.
“Ik snap het niet,” zegt de buurvrouw. “Ze is zo… gewoon.”
“Ja,” zegt Fay. “Dat is juist het probleem.”
Ze vertelt wat ze kan. Niet alles. Over de aanhouding. Over het wachten. Over hoe Lou altijd alles droeg zonder het te laten zien.
“Ze is sterk,” zegt Fay. “Maar dit… dit breekt iedereen.”
De buurvrouw knikt, handen om haar mok gevouwen.
“Als ik iets hoor,” zegt ze. “Iets zie. Dan bel ik.”
Buiten valt de sneeuw harder.
En ergens, onzichtbaar verbonden aan al deze levens, schuift de wereld langzaam richting een punt waarop niets meer terug te draaien is.
DEEL 51 — Zwart
Lou
Het gebeurt onverwacht.
Geen waarschuwing, geen uitleg vooraf. Alleen een korte zin van Jansma, uitgesproken zonder emotie:
“U kunt gaan.”
Lou denkt eerst dat ze het verkeerd verstaat.
“Gaan?” herhaalt ze.
“U wordt naar huis gebracht,” zegt hij. “Per direct.”
Geen excuses. Geen toelichting. Alleen een handtekening, een jas die ze terugkrijgt, haar tas. Buiten staat een onopvallende auto. De rit is stil. De stad trekt langs haar heen alsof ze er niet meer bij hoort.
Als ze voor het huis stopt, herkent ze het pas echt. Haar huis. Haar straat. Haar voordeur.
Fay doet open.
“Wat—?” Fay’s mond blijft halfopen staan. “Mam?”
Lou zegt niets. Ze stapt naar binnen en dan is Rosa er. Springend, jankend, met dat ongefilterde geluk dat alleen een hond kan voelen. Lou zakt door haar knieën, haar handen in Rosa’s vacht, haar gezicht nat zonder dat ze weet wanneer de tranen begonnen zijn.
“Ik dacht—” begint Fay.
“Ik weet het,” zegt Lou. “Ik ook.”
Fay zet koffie. Het apparaat zoemt, vertrouwd, huiselijk. Precies op dat moment—
Alles dooft.
Het licht.
Het geluid.
De wereld.
“Serieus?” zegt Lou, bijna lachend, bijna hysterisch.
“Weer geen koffie.”
⸻
Den Haag
Het begint met verwarring.
Straatlantaarns vallen uit. Winkels worden donker. Rolluiken blijven halverwege hangen. Mensen staan stil, kijken omhoog, naar hun telefoons die het nog even doen.
Dan paniek.
Autoalarmen. Verkeerslichten die niets meer zeggen. Sirenes in de verte, dan dichterbij. Den Haag en Scheveningen verdwijnen tegelijk in een diepe, onwennige duisternis.
Wat niemand weet — en wat later pas duidelijk wordt — is dat ergens een cruciaal punt is geraakt. Niet zichtbaar. Niet spectaculair. Maar precies genoeg om alles stil te leggen.
Zahir is nergens te zien.
Maar zijn schaduw ligt over de stad.
⸻
Jansma
Bij de AIVD is geen paniek. Alleen snelheid.
Jansma staat rechtop in de commandoruimte, zijn stem hard en helder.
“Dit is geen storing,” zegt hij. “Dit is een daad.”
Schermen lichten op. Kaarten. Meldingen. Binnenkomende signalen.
“Noodprocedures,” beveelt hij. “Alles opschalen. Contact met netbeheer. Politie. Defensie standby.”
Iemand zegt: “Den Haag ligt plat.”
Jansma knikt één keer.
“Dan is dit het moment waarop we hem vinden.”
Hij weet één ding zeker:
dit was geen toeval.
En dit was nog niet het einde.
DEEL 51 — Zwart
Lou
Het gebeurt onverwacht.
Geen waarschuwing, geen uitleg vooraf. Alleen een korte zin van Jansma, uitgesproken zonder emotie:
“U kunt gaan.”
Lou denkt eerst dat ze het verkeerd verstaat.
“Gaan?” herhaalt ze.
“U wordt naar huis gebracht,” zegt hij. “Per direct.”
Geen excuses. Geen toelichting. Alleen een handtekening, een jas die ze terugkrijgt, haar tas. Buiten staat een onopvallende auto. De rit is stil. De stad trekt langs haar heen alsof ze er niet meer bij hoort.
Als ze voor het huis stopt, herkent ze het pas echt. Haar huis. Haar straat. Haar voordeur.
Fay doet open.
“Wat—?” Fay’s mond blijft halfopen staan. “Mam?”
Lou zegt niets. Ze stapt naar binnen en dan is Rosa er. Springend, jankend, met dat ongefilterde geluk dat alleen een hond kan voelen. Lou zakt door haar knieën, haar handen in Rosa’s vacht, haar gezicht nat zonder dat ze weet wanneer de tranen begonnen zijn.
“Ik dacht—” begint Fay.
“Ik weet het,” zegt Lou. “Ik ook.”
Fay zet koffie. Het apparaat zoemt, vertrouwd, huiselijk. Precies op dat moment—
Alles dooft.
Het licht.
Het geluid.
De wereld.
“Serieus?” zegt Lou, bijna lachend, bijna hysterisch.
“Weer geen koffie.”
⸻
Den Haag
Het begint met verwarring.
Straatlantaarns vallen uit. Winkels worden donker. Rolluiken blijven halverwege hangen. Mensen staan stil, kijken omhoog, naar hun telefoons die het nog even doen.
Dan paniek.
Autoalarmen. Verkeerslichten die niets meer zeggen. Sirenes in de verte, dan dichterbij. Den Haag en Scheveningen verdwijnen tegelijk in een diepe, onwennige duisternis.
Wat niemand weet — en wat later pas duidelijk wordt — is dat ergens een cruciaal punt is geraakt. Niet zichtbaar. Niet spectaculair. Maar precies genoeg om alles stil te leggen.
Zahir is nergens te zien.
Maar zijn schaduw ligt over de stad.
⸻
Jansma
Bij de AIVD is geen paniek. Alleen snelheid.
Jansma staat rechtop in de commandoruimte, zijn stem hard en helder.
“Dit is geen storing,” zegt hij. “Dit is een daad.”
Schermen lichten op. Kaarten. Meldingen. Binnenkomende signalen.
“Noodprocedures,” beveelt hij. “Alles opschalen. Contact met netbeheer. Politie. Defensie standby.”
Iemand zegt: “Den Haag ligt plat.”
Jansma knikt één keer.
“Dan is dit het moment waarop we hem vinden.”
Hij weet één ding zeker:
dit was geen toeval.
En dit was nog niet het einde.
DEEL 52 — Licht in het donker
“Pak jij even de zaklamp uit de meterkast?” zegt Lou, terwijl ze haar telefoon weglegt. Het scherm is zwart gebleven sinds de stroom uitviel.
Fay kijkt haar aan. “Jij meent dit hè.”
“Ja,” zegt Lou rustig. “En doe de grote. Niet die met dat halflege batterijtje.”
De zaklamp klikt aan en werpt een kegel licht over de trap. De stilte in huis is vreemd intiem zonder het zachte gezoem van apparaten. Alleen Rosa’s nagels tikken op de houten treden terwijl ze achter hen aan loopt.
Op de eerste verdieping blijft Lou staan bij een smalle deur die normaal nauwelijks opvalt. Ze steekt de sleutel in het slot, draait hem om en trekt de deur open.
“Ta-da,” zegt ze, met een bijna kinderlijk triomfantelijke stem.
Fay richt de zaklamp naar binnen en blijft stokstijf staan.
“Wat… is dit?” vraagt ze langzaam.
Lou leunt tegen de deurpost. “Een noodpakket natuurlijk.”
Fay stapt naar voren en schijnt langs de planken.
“Dit is geen noodpakket, dit is een halve expeditie.”
Op de onderste plank staat een compact powerstation, keurig opgeladen. Daarboven twee opgevouwen zonnepanelen, nog in plastic. Kratten met flessen Spa Blauw, netjes gestapeld. Blikken. Oploskoffie. Theezakjes. Kaarsen in verschillende maten. Een set noodlampen die automatisch aangaan bij stroomuitval. En in de hoek: een propaan gasstel, onaangeroerd.
Fay draait zich om. “Sinds wanneer heb jij dit?”
Lou haalt haar schouders op. “Sinds ik les gaf aan mensen die alles kwijt waren. Je leert anders kijken naar zekerheid.”
“Je bent niet goed,” zegt Fay, maar ze lacht erbij. “Of juist wel.”
Ze besluiten beneden te blijven. De woonkamer voelt veiliger, overzichtelijker. Lou zet het powerstation aan; een zacht piepje, een groen lampje. Een klein eilandje van technologie in het donker.
Met zaklampen en kaarsen creëren ze lichtplekken: één op tafel, één bij de bank, één in de keuken. Rosa nestelt zich meteen op haar vaste plek, alsof dit allemaal onderdeel is van het plan.
“Wat eten we?” vraagt Fay.
Lou loopt naar de vriezer. “Wat de stroom niet meer verdient.”
Ze halen ingevroren groente tevoorschijn, een bakje soep, brood uit de voorraad. Het gasstel wordt op tafel gezet. Lou draait behoedzaam de knop om; een klik, dan een zachte vlam.
“Zie je,” zegt ze. “Werkt altijd.”
De geur van warme soep vult langzaam de kamer. Fay roert, Lou snijdt brood bij kaarslicht. Het is bijna gezellig, op een vreemde, opgesloten manier.
Ze eten zwijgend. Buiten is het donker, maar binnen brandt licht. Klein. Eigen.
“Best ironisch,” zegt Fay uiteindelijk. “De stad in paniek en wij zitten hier te koken.”
Lou glimlacht flauwtjes.
“Controle,” zegt ze. “Al is het maar een beetje.”
Ze leunen achterover, luisteren naar de stilte, het zachte tikken van de kaarsen, Rosa’s rustige ademhaling.
En ergens diep onder de rust weten ze allebei: dit is tijdelijk
DEEL 53 — Schemerlijnen
Lou en Fay
De avond zakt langzaam in huis.
Het spel komt uit de kast alsof het altijd al klaar lag voor dit moment. Een oud bordspel, karton wat rafelig aan de randen, pionnen die al eens zijn vervangen. Fay zet de kaarsen strategisch neer zodat ze het bord kunnen zien. Lou zet water op het gasstel voor oploskoffie.
“Niet zeuren,” zegt ze terwijl ze roert. “In crisistijd smaakt alles beter.”
Fay neemt een slok, trekt een gezicht en lacht. “Je liegt.”
Daarna de wijn. Lou aarzelt heel even, pakt dan een goede fles uit het rek.
“Dit is geen avond voor zuinigheid,” zegt ze terwijl de kurk zachtjes plopt.
De buurvrouw schuift later aan, jas nog aan, haar gezicht opgelucht.
“Bij jullie brandt licht,” zegt ze. “Ik dacht… misschien?”
Ze zitten met z’n drieën aan tafel. Wijn in glazen die in het kaarslicht warmer lijken dan ze zijn. Er wordt gespeeld, gelachen, even niet gedacht aan buiten. Rosa ligt onder tafel, haar kop tegen Lou’s been.
Het spel gaat nergens over. Dat is precies de bedoeling.
“Het voelt bijna normaal,” zegt de buurvrouw zacht.
Lou knikt.
“Dat is het gevaarlijke,” zegt ze. “Maar ook het mooie.”
⸻
Zahir
Boven hen is het koud.
De woning houdt de kou vast nu de verwarming dood is. Zahir zit in het donker, zijn jas nog aan, zijn handen om elkaar gevouwen. Hij hoort stemmen beneden. Gelach. Glas dat tegen glas tikt.
Leven.
Het irriteert hem. En verward hem.
Hij denkt aan Raqqa. Aan hitte, stof, geschreeuw. Aan opdrachten die helder waren omdat ze geen vragen toelieten. Aan zijn naam die gewicht had, betekenis.
Hier is zijn naam niets.
Hier is hij een schaduw.
Wat ben ik nog? denkt hij. En voor wie?
De stemmen beneden blijven doorgaan. Onbezorgd. Menselijk.
Voor het eerst sinds lange tijd voelt hij geen woede, maar twijfel.
⸻
Jansma
Het elektriciteitsdoorvoerpunt ligt er verlaten bij. Kabels blootgelegd, schade gericht, efficiënt. Jansma loopt langzaam langs de plek, handschoenen aan, zijn blik scherp.
“Geen chaoswerk,” zegt hij tegen zijn team. “Dit is iemand die wist wat hij deed.”
Later staat hij voor de camera van de NOS. Het licht van de schijnwerpers is hard, maar zijn stem blijft beheerst.
“Er is sprake van een doelgerichte sabotage,” zegt hij. “De situatie is onder controle. We vragen het publiek kalm te blijven en verdachte situaties te melden.”
De journalist vraagt: “Is dit terrorisme?”
Jansma pauzeert een fractie te lang.
“Het onderzoek loopt,” zegt hij dan.
⸻
Huub
Het politiebureau is donker. Geen automaten, geen schermen, alleen noodverlichting die alles een gelige gloed geeft. Huub zit aan zijn bureau met een papieren lijst en een ouderwetse telefoon die maar blijft rinkelen.
Noodoproepen. Verwarring. Angst.
“Kalm blijven,” hoort hij zichzelf zeggen. “Ja mevrouw, we zijn onderweg.”
Hij wrijft in zijn gezicht. Dit is waarvoor hij ooit begon. Niet voor protocollen, niet voor politiek, maar voor dit: mensen in het donker die iemand nodig hebben.
Buiten is de stad stil en onrustig tegelijk.
En boven een verlichte woonkamer luistert iemand mee, twijfelend, terwijl onder hem het leven ondanks alles doorgaat.
Reacties
Een reactie posten