Gedeckte Kaffeetisch 1973 – Solingen

De tafel stond al klaar toen we binnenkwamen.


In de eetkamer van tante Rosie hing die typische geur van koffie, boenwas en iets zoets dat langzaam de hele ruimte vulde. Op de tafel lag een smetteloos wit damasten tafellaken, strak gestreken alsof er niemand aan mocht komen. Het licht viel door het grote open raam naar binnen en liet kleine schaduwen dansen over het patroon van het linnen.


Tante Rosie had alles tot in de puntjes verzorgd. Het Wedgwood-servies stond keurig opgesteld, kopjes met schoteltjes, suikerpot, melkkan. De grote koffiekan had op de tuit zo’n schuimrubberen druppelvanger, een wonderlijk ding dat ik als tienjarige eindeloos bleef bekijken. Duits praktisch vernuft, vond men toen.


Maar mijn ogen gingen meteen naar het midden van de tafel.


Daar stond de buttercrèmetaart.


Speciaal voor mij.


Een kroon van botercrème, zachtgeel van kleur, met sierlijke rozetten langs de rand. Daaromheen schalen met vruchtentaarten: glanzende kersen, rode aardbeien en de groenige Reine Claude-pruimen die ik alleen daar at. De vruchten lagen als juwelen op het gebak. Het leek bijna zonde om erin te snijden.


Ik schoof op de hoekbank langs de muur. Het stof van de bekleding kriebelde tegen mijn blote benen. Ik droeg een korte broek; het was warm die zomer. Door het openstaande raam stroomde de lucht van buiten naar binnen. Niet echt een verkoelende wind, meer een warme adem die door de kamer trok en de vitrage heel zacht liet bewegen.


Van buiten kwamen de geluiden van Solingen. Een verre auto. Een fietsbel. Stemmen van mensen die voorbijliepen. Duitse woorden in Solinger platt die ik helemaal begreep en die inmiddels vertrouwd klonken.


De volwassenen praatten.


Over familie.


Over Nederland en Duitsland.


Over vroeger en over mensen die ik niet kende.


Hun stemmen vormden een rustig achtergrondgeluid, terwijl ik zat te wachten op het moment dat eindelijk de taart werd aangesneden.


Ik weet nog hoe de zon op de glazen scheen. Hoe de lepeltjes tegen het porselein tikten. Hoe de koffie werd ingeschonken en de geur zich mengde met die van het gebak.


Op zulke momenten leek de tijd stil te staan.


Een jongen van tien, in een korte broek, zittend op een kriebelige bank in Solingen. Voor zich een feestelijk gedekte koffietafel, een buttercrèmetaart die op hem wachtte, en de zekerheid dat de middag nog eindeloos zou duren.


Nu, zoveel jaren later, zie ik niet alleen de tafel terug.


Ik voel opnieuw de warmte van die zomerdag.


Ik hoor het zachte gerinkel van kopjes.


Ik ruik de koffie.


En ergens, tussen het damast, het Wedgwood-servies en de open ramen van tante Rosie, zit die jongen nog steeds geduldig te wachten op zijn eerste stuk taart.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Anton Antipode - mijn grootvader

Kleine oma

Tijd aan mezelf — ik begrijp het nu.