Regen
Half tien. Het eerste korte rondje hebben we om zeven uur al gedaan. Toen was het nog gewoon weer. Nu regent het pijpenstelen.
En als Huub voor me komt staan, weet ik hoe laat het is.
Gaan we?
Ik kijk naar buiten. De tuin verandert langzaam in een soort moeras en de regen tikt zonder enige vorm van medelijden tegen de ramen. Dit is niet bepaald weer om gezellig een eindje te gaan wandelen.
Maar ja… neem een hond, dan kom je nog eens buiten, hadden ze gezegd.
Sokken aan. Waterdichte schoenen. En dan trek ik mijn lange, volstrekt belachelijke waxcoat aan met capuchon. Ik kijk even in de spiegel.
Ik zie eruit als een cowboy.
En ineens ben ik weer terug in het ziekenhuis.
Mijn vader lag op sterven. Ik had een paar uur bij hem gewaakt en moest even naar het toilet. Toen ik terugkwam keek hij me aan. Er verscheen een glimlach op zijn gezicht en met zijn hand wees hij naar het plafond.
Een ondeugende twinkeling in zijn ogen.
Ze hebben kooiboois hier.
Mijn vader.
Vaak hadden we samen naar westerns gekeken. Op televisie. Zwart-wit, op een beeldschermpje dat tegenwoordig nog geen postzegel groot zou zijn, ingebouwd in een kast die volledig was afgewerkt met notenhoutfineer.
Cowboys, indianen, paarden, saloons en altijd iemand die op het verkeerde moment zijn revolver trok.
En nu sta ik daar, ruim vijftig jaar later, in mijn eigen woonkamer met een waxcoat aan.
Een cowboy.
Alleen ontbreekt het paard.
De voordeur gaat open.
Huub doet zijn kop omlaag. Hij kijkt even naar buiten, kijkt dan naar mij en blijft staan.
In de deuropening.
Hij beweegt niet.
Ik wacht.
Huub wacht.
De regen wacht blijkbaar nergens op en komt ondertussen horizontaal de gang in.
“Kom op Huub.”
Geen reactie.
Dit heb ik nog nooit meegemaakt.
Huub wil niet naar buiten.
Na vijf minuten zet hij voorzichtig één poot over de drempel. Dan nog één. Hij kijkt me aan alsof hij wil zeggen: Je hebt me hier zelf voor uitgenodigd.
Hij loopt naar de auto en gaat bij de achterklep staan.
Ah.
De auto.
Dat is een wandeling die hij begrijpt.
Ik wijs naar het bos.
Hij kijkt naar mij.
Ik wijs nog een keer.
Hij kijkt naar de auto.
We hebben duidelijk een communicatieprobleem.
Als hij uiteindelijk doorheeft dat we gewoon lopend gaan, draait hij zich om en loopt weer naar binnen.
Rechtsomkeert.
Alsof hij zojuist ontslag heeft genomen.
Ik blijf in de regen staan en kijk hem na.
“Huub…”
Hij kijkt niet eens om.
En ineens begrijp ik het.
Misschien is hij helemaal geen hond.
Misschien is hij gewoon een man met een verstandige regenjas.
Alleen heeft hij die vandaag niet aan.

Reacties
Een reactie posten