Posts

Benzine station

  Benzinestation Mijn vader tankte bij de Esso. Geen tijger in de tank, geen Amerikaans gebrul, maar lucht- en ruimtevaartmunten. Kleine metalen schijven met gezichten van pioniers: mannen met strakke kaken en blikken die verder reikten dan de snelweg. Ik kende hun namen niet, maar hun koppen zijn blijven hangen. Alsof je geschiedenis meekreeg bij elke liter super. Zelf tankte ik later vooral bij de Shell. Geen tijger, wel zware handdoeken. “Die zijn goed,” zei mijn moeder, en dat was genoeg. Het station was morsig: benzine, olie, oude regen op een vloeistofdichte vloer die alles beloofde behalve schoonheid. Het rook er naar onderweg zijn. Naar niet blijven hangen. Nu tank ik weer bij de Esso. En elke keer denk ik: waar ben ik eigenlijk terechtgekomen? Alles flitst. Signing, schermen, pijlen. Clean, strak, efficiënt. Zo oogt het tenminste. Maar het is geen tankstation meer, het is een  wij-leveren-alles -concept. Automaterialen. Koffie in alle denkbare varianten. Koek, snoep. ...

Dromen

Afbeelding
Net boven het vriespunt —1 graad, zegt Robert van het weerbericht, verraderlijk glad op de eerste echte vorstdag. Ik zet met de app de verwarming van de auto aan. Ondanks alle meldingen dat de server plat ligt, begint de motor toch te draaien. Pure luxe: geen ruiten krabben, geen tien minuten in een kille auto wachten tot het ijs aan de binnenkant smelt en je eindelijk zicht hebt, precies op het moment dat de zon laag en fel over de weg strijkt. Ik besluit eerst te tanken. Het ligt op de route en met koud weer heb ik graag een volle tank. Mijn vader zei altijd: je weet nooit waar je voor komt te staan, jongen. Altijd een fles water en een deken mee in de auto. Tegenwoordig waarschijnlijk compleet onzinnig, maar het zit zó ingebakken dat ik het maar laat zoals het is. Sinds de diefstal van mijn auto, jaren geleden, mis ik nog steeds zijn zwarte gereedschapskoffer die ik van hem had geërfd. Het voelt haast symbolisch. In goed vertrouwen had ik de aannemer de huissleutel gegeven, zodat ik...

Flarden

De ontmoetingen die je bijblijven in je leven. Ik zat in een rolstoel in de wachtkamer van de röntgenafdeling toen een oude dame in een ziekenhuisbed werd binnengereden. We waren de enigen in de wachtkamer. Ze doorbrak de stilte. ‘Meneer, ik wil dood.’ Haar donkere ogen glinsterden. In haar hand hield ze een kotsbakje vast: perkamenten huid, blauwe aders, levervlekken op haar dunne armen. Haar botten leken een eigen leven te leiden, haar huid… de zwaartekracht had zijn werk gedaan. ‘Weet u,’ zei ze, ‘ik woon in Aerdenhout, in een groot huis. Iedereen die ik ken is dood. Mijn dochter is ook overleden. Ik ben drieënnegentig, ziet u.’ Het greep me aan en ik probeerde wat weg te kijken. ‘Ik heb geen zin meer,’ zei ze zacht. Om het een andere wending te geven, zei ik: ‘Ik wil juist blijven leven. Maar dat zou, gezien alles wat er gaande is, weleens lastig kunnen zijn.’ Ze glimlachte, mooi en bijna moederlijk. ‘Zullen we dan maar ruilen?’ zei ze. ‘Dan blijft u leven, en ga ik eerder dood.’ D...
 Start Op een hoek bij Bigspotters Hill, ergens tussen het gras en het grind, glimt een metalen schijf in de ochtendzon op het asfalt. START, staat erop, met sobere, diepe letters in het staal gegraveerd. Een relikwie van de Floriade. Een vergeten beginpunt, half verzonken in de tijd. Ik veeg wat zand weg met mijn hand. De schijf voelt koel aan, als een muntstuk dat te lang heeft liggen wachten. Start waarvan? Ergens moet hier een route zijn geweest. Een wandeling langs kunstwerken, tuinen, dromen uit de tijd dat de toekomst nog een ontwerp was. Misschien liepen hier gezinnen met folders in hun handen, kinderen op stepjes, mensen die dachten dat schoonheid planbaar was. Nu rest alleen die ene metalen cirkel. Het nulpunt van een verdwijntruc. Misschien van een wandeling die niemand meer loopt. Een route ooit bedacht door mensen met plannen, kaarten, en linten van hoop — maar de tijd heeft hun lijnen uitgewist. Alleen die ene schijf bleef liggen, als een herinnering aan een begin dat...
  Pound Foolish, Penny Wise Ergens rond 2010 moest ik naar Milaan voor een beursbezoek. Onder meer naar de Salone del Mobile — de hoogmis van design, waar stoelen belangrijker zijn dan mensen en verlichting religieuze proporties aanneemt. De laatste keer dat ik daar was, in 2004, zat ik met mijn collega Barry in de metro, één halte voor de Fiera. Plots werd de trein stilgezet. Politie. Militairen. Machinegeweren. We werden de wagon uit gesommeerd. Later bleek het een verijdelde aanslag van Al-Qaeda . Sindsdien ben ik nooit meer nerveus geweest om te vliegen. De kans dat je twee keer zoiets meemaakt lijkt me statistisch verwaarloosbaar. Alsof er twee terroristen met een bom in hetzelfde vliegtuig zitten zonder dat ze van elkaar weten wat ze van plan zijn. Hoewel — Hannie Schaft en Truus Menger gingen ook achter Fake Krist aan. En uiteindelijk was het Zwarte Kees die hem te pakken kreeg, vanuit een zolderraam aan de Haarlemse Westergracht. Geschiedenis laat zich niet altijd bere...

Flarden en knipsels

Het was een andere tijd, ome Paul en tante Els. Ik herinner me flarden, maar zie ze zonder foto zo voor me. Omes en tantes — ik noemde ze wel zo, maar ik geloof dat Paul eigenlijk een neef van mijn moeder was. Vanaf twee hoog keek ik uit over de straat en zag de nieuwe Fiat aankomen. Ome Paul stapte uit, opende de kofferbak en haalde met vaste hand de rolstoel eruit. Hij klapte hem open, legde zijn zwarte jaren zeventig-handschoenen — met die gebreide tussenstukjes — op de handvaten en reed naar de passagierskant. Behendig hielp hij tante Els in de stoel. Nu ik dit schrijf, bedenk ik me dat ik mis hoe tante Els eigenlijk naar boven kwam. Maar boven kwam ze.  Een deel van onze familie is sportief. Wielrennen, atletiek, altijd beweging. Dat gen heb ik niet geërfd — mijn kant heeft andere talenten en ik rommel maar wat aan, met producten, woorden, koken en muziek. Het eerste stukje dat ik ooit over Paul terugvond was een vergeeld krantenknipsel uit 1941. Een verslag van een wielerbaan...

De Pont van Velsen

Aan het Pontplein stond ik te wachten, op mijn groene Zündapp, de motor uit. Het water glinsterde zilverachtig onder de zon. Aan de overkant zag ik de Rijkspont 7 zich langzaam losmaakte van de wal, het zwarte rookkanaal dampend, de diepe brom van de motoren. Eerst de mensen eraf — dat was altijd het moment van ongeduld. Fietsers die met hun kettingen kletterden, brommers die te vroeg het gas open trokken en een reprimande van de pontwachter kregen. Pas als de laatste voetganger van de klep was, mocht je erop. Onder het gebogen metalen afdak, de binnenzijde vol klinknagels als littekens, glanzend onder lagen verf — geel, wit, grijs, in stroken aangebracht door generaties schilders. De houten planken van het wegdek waren donker van olie en zout water. Ze glommen in de regen. Bij slecht weer zocht ik beschutting bij de machinekamer, waar het warm was en de lucht dik van diesel en metaal. Het gebrom van de motoren had iets geruststellends — als het ritme van een groot, traag hart. En dan,...